Baarmoederhalskanker / Cervix
Baarmoederhalskanker is een kwaadaardige zwelling van de 'bekleding' van de baarmoederhals en of het baarmoederhalskanaal. Baarmoederhalskanker komt voornamelijk voor bij vrouwen rond de 30 en rond de 55 jaar. Vrouwen tussen de 30 en 60 jaar worden om de vijf jaar opgeroepen voor een uitstrijkje van de baarmoederhals.
Deze vorm van kanker kan ontstaan door het humane papilloma virus (HPV). Dit virus kan ondermeer tijdens geslachtsgemeenschap overgedragen worden. Niet iedere vrouw die met HPV besmet is en een ontsteking, infectie of afwijkende cellen heeft, krijgt baarmoederhalskanker. Dit voorstadium is geen kanker en kan spontaan genezen of worden verwijderd. Komen er steeds meer afwijkende cellen, dan ontstaat een overmatige groei en kan baarmoederhalskanker ontstaan. Roken beïnvloedt mogelijk het afweersysteem waardoor HPV eventueel baarmoederhalskanker kan veroorzaken.
Klachten / symptomen
In het voorstadium van baarmoederhalskanker zijn er meestal geen klachten; daarom worden alle vrouwen tussen de 30 en 60 jaar iedere vijf jaar onderzocht.
In een later stadium kunt u klachten krijgen, zoals
- onregelmatig bloedverlies;
- bloedverlies na de menopauze;
- bloedverlies na de gemeenschap;
- abnormale afscheiding;
- pijnklachten.
Afwijkend uitstrijkje
Als u een afwijkend uitstrijkje van de baarmoederhals heeft, kunt u bij de cervixpolikliniek terecht voor verder onderzoek en behandeling. In dit voorstadium is er sprake van afwijkend weefsel, maar nog niet van baarmoederhalskanker. De cervixpolikliniek doet een weefselonderzoek met een uitstrijkje van de baarmoederhals en een colposcopie. Tijdens een colposcopie kijkt een arts met een vergrootglas en verwijdert afwijkend weefsel. Dit afwijkende weefsel wordt onderzocht door een patholoog-anatoom.
Onderzoek
Als u baarmoederhalskanker heeft, volgen meer onderzoeken.
Algemeen lichamelijk onderzoek
Inwendig gynaecologisch onderzoek.
Bloedonderzoek
Uw bloed wordt onderzocht voor de beoordeling van uw algemene toestand, de werking van uw lever en nieren. Ook is er een onderzoek naar tumormarkers, dat zijn merkstoffen die verband kunnen houden met baarmoederhalskanker.
Uitzaaiingenonderzoek
Om na te gaan of er sprake is van uitzaaiingen naar omliggende organen en of naar lymfklieren kan de arts besluiten een röntgenfoto van de longen te maken, een echografie van de nieren te maken, eventueel een CT-scan te doen of een MRI-scan van de buik en in sommige gevallen een PET-scan uit te voeren.
Behandeling
De behandeling van baarmoederhalskanker is vooral afhankelijk van het stadium en van de uitslag van het pathologisch onderzoek.
In het voorstadium, als er sprake is van afwijkend weefsel maar nog niet van baarmoederhalskanker, zijn er ook behandelmethoden. De cervixpolikliniek doet een weefselonderzoek met een uitstrijkje van de baarmoederhals en een colposcopie. Tijdens een colposcopie kijkt een arts door een vergrootglas en verwijdert het afwijkende weefsel. Daarnaast is een lisexcisie mogelijk. Hierbij wordt poliklinisch afwijkende weefsel geheel of grotendeels weggehaald.
Als er sprake is van baarmoederhalskanker is dit te opereren. Soms kan een combinatie van behandeling nodig zijn.
Operatie
Een operatie is een plaatselijke behandeling. De chirurg verwijdert het zieke orgaan of weefsel of een deel daarvan. Bij een laag stadium van de kanker voert de arts een conisatie uit. Dat is een iets ingrijpender ingreep dan lisexcisie, waarbij meer weefsel wordt verwijderd. Deze behandeling wordt onder narcose uitgevoerd en vereist dus een korte opname. Ook kan een arts de baarmoeder en baarmoedermond verwijderen, of een trachelectomie uitvoeren als u nog een kinderwens heeft. Dan worden alleen de baarmoederhals en klieren weggehaald. De Wertheimoperatie tenslotte is een radicale verwijdering van baarmoeder, lymfklieren, eventueel gevolgd door een combinatie van radiotherapie en chemotherapie.
Bij intensieve ingrepen zoals de Wertheimoperatie en Trachelectomie, wordt u doorverwezen naar een academisch ziekenhuis zoals het universitair medisch centrum Groningen (UMCG). Van belang is uw algemene gezondheid en wat u zelf aankunt en belangrijk vindt. Bespreek uw eigen ideeën en mening met uw arts.
Chemotherapie
Chemotherapie is de behandeling van kanker met celdodende of celdelingremmende medicijnen: cytostatica. Er zijn verschillende soorten cytostatica, elk met een eigen werking. De medicijnen worden per infuus of als tablet toegediend. Via het bloed verspreiden zij zich door uw lichaam en bereiken op vrijwel alle plaatsen de kankercellen.
Radiotherapie
Bij radiotherapie wordt gebruikgemaakt van straling. Kankercellen zijn gevoelig voor bestraling. De straling beschadigt de genen, oftewel het erfelijk materiaal (DNA). De kankercel verliest daardoor het vermogen om te delen en gaat dood. Als u meer informatie wilt over bestraling van de baarmoeder, kunt u hierover bij de afdeling radiotherapie meer lezen.
Bijwerkingen en gevolgen
Bij een lisexcisie of conisatie blijft de baarmoeder intact. De lisexcisie kan poliklinisch of in dagbehandeling plaatsvinden en geeft nauwelijks of geen bijwerkingen. Een conisatie vindt plaats in dagbehandeling of tijdens een opname in het ziekenhuis, omdat er een vernauwing van de baarmoederhals optreedt. De gynaecoloog bespreekt met u wat de beste behandeling voor u is, waarbij een eventuele kinderwens wordt meegenomen in de overwegingen.
Als de baarmoeder en baarmoederhals operatief verwijderd worden, heeft u geen menstruatie meer en kunnen er klachten optreden, zoals plasklachten en seksuele klachten. Mogelijke complicaties bij een Wertheimoperatie zijn lymfoedeem (opzwelling door vochtopeenhoping) aan bovenbenen, plasklachten, obstipatie, seksualiteitsklachten, overmoeidheid en of overgangsklachten.
Meer informatie over de bijwerkingen van chirurgie, chemotherapie en radiotherapie kunt u vinden op de website www.nvog.nl.