Behandeling trombose
Trombose wordt tegengegaan met medicijnen. Hebt u trombose, dan kunt u te maken krijgen met:
- Medicijnen die zorgen dat het bloedstolsel niet groter wordt. Uw lichaam ruimt de trombose verder grotendeels zelf op.
- Medicijnen die zorgen dat uw bloed minder kans krijgt om te stollen (antistollingsmedicijnen).
Uw medicijnen worden voorgeschreven door uw huisarts of specialist. De dosis antistollingsmedicijnen die u nodig hebt, kan van tijd tot tijd verschillen. Daarom helpt de trombosedienst u bij het vaststellen van deze dosis. Dit gaat als volgt:
|
1. Controle |
· U gaat op controle bij de trombosedienst om bloed te prikken.
of
· U leert zelf bloed te prikken via een vingerprik, en uw INR te bepalen. |
|
2. INR bepalen |
Met uw bloed bepaalt de trombosedienst (of uzelf) uw INR, de snelheid waarmee uw bloed stolt. Met de INR wordt uw dosis antistollingsmedicijnen bepaald. |
|
3. Doseringskalender |
U krijgt van de trombosedienst een doseringskalender. Hierop staat hoeveel tabletten u de komende tijd moet innemen, en op welke dagen. Indien u gebruik maakt van het zelfzorgportal, ontvangt u de doseringskalender digitaal. |
|
4. Medicijngebruik |
Bij het innemen van uw tabletten is het belangrijk dat u zich houdt aan bepaalde voorschriften. |
|
5. Stoppen met medicijnen |
Als u heel weinig of geen kans meer hebt op trombose, kunt u stoppen met uw medicijnen. Ook in andere gevallen is het nodig te stoppen. Bijvoorbeeld vóór een onderzoek of ingreep, of bij een bloeding. |