ISALA

Weergave

Om u de beste leesbaarheid te bieden, kunt u hier het lettertype en de achtergrondkleur naar wens aanpassen.

Lettertype


Achtergrond

Het uitstrijkje

Hoe en waarom, mogelijke afwijkingen en behandelingen

Hier leest u waarom uitstrijkjes worden gemaakt, hoe een uitstrijkje wordt beoordeeld en wat er aan de hand kan zijn bij een afwijkend uitstrijkje. Ook het onderzoek bij een afwijkend uitstrijkje en mogelijke behandelingen komen ter sprake.

Het kan zijn dat u van uw huisarts al schriftelijke informatie heeft gekregen over het uitstrijkje, bijvoorbeeld in de vorm van een patiëntenbrief. De inhoud daarvan is gedeeltelijk hetzelfde als het eerste deel van de informatie op deze pagina. In dat geval kunt u deze informatie lezen vanaf het hoofdstuk 'Onderzoek door de gynaecoloog'.

Het uitstrijkje

Bij een uitstrijkje worden cellen van de baarmoederhals afgenomen. Ze worden op een rechthoekig glaasje uitgestreken. Daarna vindt onderzoek in het laboratorium plaats.

Uitstrijkjes worden gemaakt om te onderzoeken of u een voorstadium van baarmoederhalskanker heeft. Alle vrouwen tussen de 30 en 60 jaar krijgen via het Bevolkingsonderzoek Baarmoederhalskanker eenmaal in de vijf jaar een oproep om een uitstrijkje bij de huisarts te laten maken. Zo worden soms afwijkingen gevonden bij vrouwen die geen klachten hebben. Klachten van tussentijds bloedverlies, bloederige afscheiding of bloedverlies na gemeenschap (samenleving) kunnen een reden zijn om een extra uitstrijkje te maken, ook op jongere of oudere leeftijd.

Hoe wordt een uitstrijkje gemaakt?

U neemt plaats op een onderzoekstoel met uw benen gespreid. De arts brengt een speculum (eendenbek) in de schede (vagina) in. Hierna wordt het speculum geopend. Zo wordt de baarmoederhals – het onderste deel van de baarmoeder – zichtbaar. De arts neemt met een houten spatel of een borsteltje cellen van de baarmoederhals af en strijkt ze uit op een glaasje. Dit glaasje wordt naar het laboratorium opgestuurd. De cellen op het glaasje worden daar gekleurd en onder de microscoop beoordeeld. Bij het bevolkingsonderzoek maakt soms de doktersassistente het uitstrijkje.

 

 
Afbeelding 1: het uitstrijkje
 

Over het algemeen is het maken van een uitstrijkje niet pijnlijk, maar het inbrengen van het speculum en het afnemen van de cellen kunnen wel kortdurend een onaangenaam gevoel geven. Soms bloedt de baarmoederhals na het maken van het uitstrijkje. Dit kan geen kwaad. Het bloedverlies stopt meestal binnen een dag. Een volle blaas of darm geeft soms een vervelend gevoel. Als het speculum geopend wordt, drukt het tegen de blaas en darm aan. Het is daarom verstandig eerst naar het toilet te gaan. Als u nog nooit gemeenschap (samenleving) heeft gehad en ook nooit tampons heeft gebruikt, is het maagdenvlies niet opgerekt. Het maken van een uitstrijkje is dan moeilijk, en veel artsen vinden het dan niet noodzakelijk.

Er kunnen nog andere redenen zijn om tegen het onderzoek op te zien, bijvoorbeeld negatieve seksuele ervaringen in het verleden. Aarzel niet dit aan de arts te vertellen. Deze houdt er dan rekening mee. Het is belangrijk dat u de tijd vraagt en krijgt om de spieren rond de schede zo veel mogelijk te ontspannen. Sommige vrouwen vinden het plezierig met een spiegel mee te kijken, zodat zij zien hoe de baarmoederhals eruitziet.

Wanneer een uitstrijkje uitstellen?

Als u menstrueert (ongesteld bent), kunt u het laten maken van een uitstrijkje beter uitstellen. Door het bloed kunnen de cellen niet goed bekeken worden in het laboratorium. Ook tijdens de zwangerschap of het geven van borstvoeding zijn de cellen moeilijk te beoordelen. U kunt dan wachten tot een half jaar na de bevalling of een half jaar nadat u met de borstvoeding gestopt bent.

Wat wordt bij een uitstrijkje onderzocht?

De baarmoederhals is bekleed met twee soorten cellen. Plaveiselcellen, een soort platte cellen, bekleden de wand van de vagina (schede) en de buitenkant van de baarmoederhals. Het kanaaltje in de baarmoeder­ hals naar de binnenkant van de baarmoederholte is bekleed met cellen die slijm maken. Deze cellen van de binnenkant (endo) van de baarmoederhals (cervix) worden endocervicale cellen of cilindercellen genoemd. Bij een uitstrijkje bekijkt men in het laboratorium of beide soorten cellen aanwezig zijn en hoe ze eruitzien. Ook ziet men soms of er aanwijzingen zijn voor een infectie of ontsteking door bacteriën of virussen.

Wat betekent de uitslag?

In het laboratorium wordt eerst gekeken of de cellen goed te beoordelen zijn. Soms is er te veel bloed aanwezig. Onderzoek is dan niet goed mogelijk. Soms zijn er te weinig cellen op het glaasje aanwezig. Ook kunnen de endocervicale cellen ontbreken. Bij sommige vrouwen is het moeilijk een uitstrijkje van goede kwaliteit af te nemen. Het uitstrijkje wordt dan herhaald.

Er bestaan twee soorten uitslagen van een uitstrijkje: de Pap­uitslag en de KOPAC­uitslag:

  • Pap is de afkorting van Papanicolaou, degene die deze indeling van de uitslagen van uitstrijkjes heeft gemaakt.
  • Bij de KOPAC­uitslag staat elke letter voor een onderdeel van de beoordeling: K voor kwaliteit, O voor een ontsteking, P voor plaveiselcellen, A voor andere afwijkingen en C voor cilindercellen.

Soms geeft het laboratorium een van beide uitslagen, soms beide.

De Pap­uitslagen lopen van 1 tot 5. Pap 1 betekent een normaal uitstrijkje. Bij een hogere Pap­uitslag is er reden voor herhaling of onderzoek door de gynaecoloog. Bij Pap 0 is het uitstrijkje niet goed te beoordelen.

De KOPAC­uitslag geeft voor elke letter een cijfer tussen 0 en 9. Zo betekent P1 normale plaveiselcellen. Bij P2 t/m P4 adviseert men een herhalingsuitstrijkje na zes maanden, en bij P5 of hoger een onderzoek door de gynaecoloog. Ook een hoog cijfer van een andere letter is soms reden voor verder onderzoek.

Soms wordt in de uitslag over dysplasie gesproken. Dysplasie betekent dat het weefsel van de baarmoederhals een andere opbouw heeft dan gebruikelijk. Daardoor is het uitstrijkje afwijkend. Als de uitslag van het uitstrijkje dysplasie vermeldt, verwacht men dat er in het weefsel dysplasie aanwezig is. Er kan worden gesproken over lichte, matige of ernstige dysplasie.

De verschillende Pap-uitslagen op een rij

Hier staan de meestvoorkomende uitslagen op een rij. Bij een uitstrijkje worden alleen losse cellen bekeken. Als er afwijkende cellen zijn, is het niet mogelijk precies te vertellen wat er aan de hand is. Weefselonderzoek geeft daar meer informatie over. Hier staat daarom alleen in grote lijnen aangegeven wat u kunt verwachten naar aanleiding van de uitslag.

Pap 0

Het uitstrijkje is niet goed te beoordelen, vaak omdat er te weinig cellen aanwezig zijn. Soms zijn er onvoldoende endocervicale cellen. Ook kan er te veel bijmenging van bloed zijn. Het advies is bijna altijd om het uitstrijkje te herhalen. Meestal is er dan een normale uitslag. Een enkele keer lukt het ook volgende keren niet een goede kwaliteit van het uitstrijkje te krijgen. De huisarts kan u dan naar de gynaecoloog verwijzen.

Pap 1

Het uitstrijkje is normaal. Het advies is dan om het onderzoek na vijf jaar te herhalen.

Pap 2

In het uitstrijkje zijn enkele cellen aanwezig die er iets anders uitzien dan normaal. Duidelijk afwijkend zijn ze niet. Daarom krijgt u het advies het uitstrijkje na een half jaar te herhalen. Vaak is er dan weer een normaal beeld. Voor de zekerheid wordt het onderzoek dan een jaar later nogmaals herhaald. Als de uitslag tweemaal een Pap 2 is, wordt onderzoek door de gynaecoloog geadviseerd. Meestal is geen behandeling noodzakelijk.

Pap 3a

Er worden licht afwijkende cellen gevonden; men spreekt soms ook van lichte of matige dysplasie. Het advies is dan herhaling door de huisarts of verder onderzoek door de gynaecoloog. In dat laatste geval blijken bij de helft van de vrouwen de afwijkingen zo gering te zijn dat geen behandeling nodig is. De andere helft krijgt het advies voor een eenvoudige behandeling van de baarmoederhals.

Pap 3b

De cellen zijn iets meer afwijkend dan bij een Pap 3a; men spreekt soms ook van ernstige dysplasie. Verder onderzoek door de gynaecoloog is nu verstandig. De kans dat een eenvoudige behandeling van de baarmoederhals wordt geadviseerd, is groter dan bij een Pap 3a.

Pap 4

De cellen zijn wat sterker afwijkend dan bij een Pap 3a of een Pap 3b. Ook hier wordt verder onderzoek door de gynaecoloog aanbevolen. Over het algemeen moet u rekening houden met een grote kans (90 procent) op een eenvoudige behandeling van de baarmoederhals.

Pap 5

De cellen zijn sterk afwijkend en de uitslag kan passen bij kanker van de baarmoederhals. Het is verstandig dat u op korte termijn door de gynaecoloog onderzocht wordt. Soms alarmeert het uitstrijkje ten onrechte, maar soms is er ook sprake van baarmoederhalskanker. Een uitgebreide behandeling in de vorm van operatie en/of bestraling is dan noodzakelijk.

Hoe vaak komen afwijkende uitstrijkjes voor?

Van alle 100 vrouwen zonder klachten die bij het bevolkingsonderzoek een uitstrijkje laten maken, is bij 5 het uitstrijkje afwijkend. Bij heel lichte afwijkingen van het uitstrijkje is er 10 procent kans op een voorstadium van baarmoederhalskanker. Naarmate het uitstrijkje meer afwijkend is, neemt deze kans toe. Zo is de kans op een voorstadium van baarmoederhalskanker bij een uitstrijkje met ernstige afwijkingen ongeveer 90 procent.

Voor bijna alle vrouwen betekent de uitslag van een afwijkend uitstrijkje een grote schok, alleen al omdat er iets niet goed is en verdere controle of onderzoek geadviseerd wordt. De angst voor baarmoederhalskanker is invoelbaar, maar bijna altijd onnodig. Niet zelden is een afwijkend uitstrijkje loos alarm. Zo wordt bij meer dan de helft van de vrouwen met eenmaal Pap 3a zelfs geen voorstadium van baarmoederhalskanker gevonden, laat staan baarmoederhalskanker. Bij uitstrijkjes met een hogere uitslag neemt de kans op een voorstadium van baarmoederhalskanker toe, maar de kans op kanker is nog steeds klein. Een voorstadium is goed en gemakkelijk te behandelen.

Bij een normale uitslag kunt u gerust vijf jaar wachten tot het volgende bevolkingsonderzoek. Maar als u klachten heeft van bloedverlies tussen de menstruaties door of van bloedverlies tijdens of na gemeenschap (samenleving), is het verstandig naar de huisarts te gaan. Deze beoordeelt of het zinvol is een extra uitstrijkje te maken of onderzoek naar een ontsteking te doen.

Waardoor worden afwijkingen veroorzaakt?

Veel vrouwen vragen zich af waarom hun uitstrijkje afwijkend is. Het antwoord hierop is niet zo simpel. Het is bekend dat afwijkende uitstrijkjes iets te maken kunnen hebben met een infectie met het humaan papillomavirus (HPV). Er zijn verschillende soorten van dit virus; sommige komen vaker voor bij afwijkende uitstrijkjes en baarmoederhalskanker, andere veroorzaken wratjes op de huid. Vrouwen kunnen het virus krijgen bij gemeenschap.

Geschat wordt dat 80 tot 90 procent van alle vrouwen geïnfecteerd wordt met HPV. Bij heel veel vrouwen geneest deze infectie (die geen klachten geeft) vanzelf, maar sommige vrouwen blijven het virus bij zich dragen. Waarom sommige vrouwen die het virus bij zich dragen, een afwijkend uitstrijkje krijgen, en andere vrouwen niet, is niet bekend. U kunt er zelf niets aan doen om het virus kwijt te raken en het afwijkende uitstrijkje weer normaal te laten worden.

Omdat het virus via gemeenschap aan de seksuele partner kan worden overgedragen, hebben vrouwen soms het gevoel dat zij een geslachtsziekte hebben. Zij vragen zich af of zij of hun partner 'schuld' hebben door seksuele contacten met andere partners in het verleden. Vrouwen die een relatie hebben waarbij geen van beiden ooit seksuele contacten met anderen heeft gehad, vragen zich soms af of hun partner niet toch andere seksuele contacten heeft gehad. Dergelijke gevoelens zijn begrijpelijk, maar omdat HPV­infecties zo veel voorkomen, twijfelen sommige artsen eraan of het virus alleen door gemeenschap wordt overgedragen. Bovendien is niet bij alle afwijkende uitstrijkjes sprake van besmetting met HPV.

Vrouwen die nooit gemeenschap hebben gehad, hebben minder kans om het virus bij zich te dragen. De meeste artsen vinden dan de kans op baarmoederhalskanker zo klein dat zij een uitstrijkje niet nodig vinden. Lesbische vrouwen die ooit in het verleden heteroseksuele contacten (zonder condooms) hebben gehad, hebben evenveel kans op een afwijkend uitstrijkje als heteroseksuele vrouwen.

Onderzoek door de gynaecoloog

Als uw huisarts u naar de gynaecoloog verwijst in verband met een afwijkende uitslag van het uitstrijkje, onderzoekt de gynaecoloog de baarmoederhals nauwkeurig. Dit onderzoek wordt een colposcopie genoemd. Meestal wordt er ook weefsel van de baarmoederhals weggenomen voor onderzoek. De onderzoeken op een rij:

  • Colposcopie
    Een colposcopie is een onderzoek waarbij de gynaecoloog de baarmoederhals nauwkeurig bekijkt. Net als bij het maken van het uitstrijkje brengt de arts een speculum (eendenbek) in de schede. Voor de ingang van de schede wordt nu een colposcoop geplaatst. Dit is een instrument dat een beetje lijkt op een verrekijker. De arts kijkt hier doorheen en ziet het weefsel van de baarmoederhals vergroot. Soms is de colposcoop aangesloten op een monitor, een televisiescherm. U kunt dan zelf meekijken. De baarmoederhals wordt natgemaakt met een azijnoplossing of een soort jodium om het weefsel goed te kunnen beoordelen. Het natmaken kan een wat prikkend gevoel geven. Als u menstrueert (ongesteld bent), kunt u de afspraak voor de colposcopie beter uitstellen tot de menstruatie is afgelopen.

    Eerder op deze pagina werd beschreven dat de baarmoederhals bekleed is met twee soorten cellen: plaveiselcellen en endocervicale of cilindercellen. Het overgangsgebied tussen deze twee soorten cellen heet de overgangs­ of transformatiezone. Afwijkende cellen in het uitstrijkje zijn bijna altijd afkomstig van dit gebied. Bij colposcopie wordt dit gebied nauwkeurig bekeken. Als afwijkende plekjes zichtbaar zijn, neemt de gynaecoloog vaak een stukje weefsel weg voor onderzoek. 

  • Biopsie (weefselonderzoek)
    De gynaecoloog vertelt aan u als hij of zij van plan is een weefselstukje (biopt) af te nemen. Met een klein instrument wordt een stukje weefsel weggehapt (biopsie). Vaak gebeurt dit op een paar plaatsen. Soms wordt er ook wat weefsel aan de binnenzijde van de baarmoederhals weggeschraapt. Het afnemen van een stukje weefsel kan kortdurend een pijnlijk gevoel geven, maar niet zo erg dat plaatselijke verdoving nodig is. Soms vraagt de gynaecoloog of u wilt hoesten: u voelt de pijn dan minder.

    Door het nemen van een biopt ontstaat er een wondje van de baarmoederhals, dat kan bloeden. Als er ruim bloedverlies is, stipt de arts het wondje soms aan met een bijtende stof. Dit geeft een wat krampend gevoel in de onderbuik. Soms brengt de gynaecoloog een tampon in de schede om het bloedverlies te stoppen. U kunt deze tampon thuis zelf weer naar buiten trekken; de arts vertelt u wanneer u dit kunt doen. In andere gevallen is maandverband voldoende.

    Meestal stopt het bloedverlies binnen een paar dagen. Zolang er bloedverlies is, is het beter om geen gemeenschap te hebben.

  • Lisbiopsie
    Soms wordt een lisbiopt afgenomen. Hiermee neemt de gynaecoloog een groter 'schilletje' weefsel weg. De baarmoederhals wordt dan plaatselijk verdoofd door een dunne naald. Het inspuiten van de verdoving kan enigszins pijnlijk zijn. Daarna voelt u over het algemeen niets meer van het afnemen van het lisbiopt zelf.

    Een lisbiopsie gebeurt met een dun metalen lisje, dat elektrisch verhit wordt. De verhitte lis schilt als het ware een stukje van de baarmoederhals weg, op de plaats van het afwijkende weefsel. Tegelijkertijd worden bloedvaatjes door de hitte dichtgeschroeid. Om de elektrische stroom te geleiden, krijgt u tijdens de ingreep een plastic plakker op uw been. Het schroeien van het weefsel geeft vaak een branderige geur, die vaak met een zuigslangetje wordt afgezogen. Als het afwijkende plekje niet al te groot is, probeert de gynaecoloog soms tijdens de lisbiopsie het hele plekje te verwijderen.

    Na een lisbiopsie kunt u een tot twee weken nog bloederige afscheiding hebben die vies kan ruiken. Het is verstandig met gemeenschap te wachten tot de afscheiding verdwenen is.
 
Afbeelding 2: metalen lisje 

 

Afbeelding 3: lisbiopsie 

Onderzoeksuitslagen

De gynaecoloog vertelt over het algemeen tijdens of na de colposcopie hoe de baarmoederhals eruitziet. In de meeste gevallen wordt een weefselstukje weggenomen dat waarschijnlijk de afwijkende cellen in het uitstrijkje veroorzaakt. Soms zijn er nauwelijks afwijkingen te zien en wordt geen biopsie verricht. Het biopt wordt in het laboratorium door een arts (patholoog) onderzocht. De uitslag is meestal binnen twee weken bekend. De gynaecoloog bespreekt met u hoe u de uitslag hoort: telefonisch, schriftelijk of tijdens een vervolgbezoek.

Hier staan de meestvoorkomende uitslagen van weefselonderzoek op een rijtje. Meestal wordt de uitslag weergegeven als dysplasie. Dysplasie betekent dat de opbouw van het weefsel wat anders is dan normaal. Ook wordt veel de term CIN gebruikt. Dit is een afkorting voor cervicale intraepitheliale neoplasie, een Engelse benaming voor dysplasie.

CIN I of lichte dysplasie

De weefselopbouw van de baarmoederhals is licht afwijkend, maar het is geen kanker.

CIN II of matige dysplasie

De weefselopbouw van de baarmoederhals is iets meer afwijkend, maar het is geen kanker.

CIN III of ernstige dysplasie

De weefselopbouw is nog meer afwijkend. Men spreekt hier van een voorstadium van baarmoederhalskanker. Een voorstadium betekent niet dat u zonder behandeling werkelijk kanker zult krijgen. De meeste vrouwen met een CIN III krijgen ook zonder behandeling waarschijnlijk nooit baarmoederhalskanker. De verouderde naam voor een CIN III is een carcinoma in situ. Deze naam is verwarrend, want er is geen sprake van kanker.

 
Afbeelding 4: weefsel 
 

Wel of niet behandelen

Het is bekend dat een deel van de weefselafwijkingen zonder behandeling uit zichzelf verdwijnt en geneest. Als de kans hierop groot is, adviseert de gynaecoloog om af te wachten. Bij het advies om al dan niet te behandelen, spelen onderstaande factoren mee.

Ernst van de afwijking

CIN I is zelden een reden tot behandeling, omdat er een grote kans aanwezig is dat de afwijking uit zichzelf weer verdwijnt. CIN II heeft ook nog een kans uit zichzelf te verdwijnen; behandeling is daarom niet altijd nodig. CIN III heeft slechts een kleine kans spontaan te genezen en kan een voorstadium van baarmoederhalskanker zijn; of CIN III zich bij u ooit tot baarmoederhalskanker zal ontwikkelen, valt niet te voorspellen. Zekerheidshalve wordt behandeling geadviseerd aan alle vrouwen met CIN III.

Grootte van de afwijking

De grootte van de afwijking is van belang voor de kans dat een afwijking uit zichzelf verdwijnt. Daarom adviseert de gynaecoloog meestal bij een groot gebied met CIN II een behandeling, en bij een klein gebied met CIN II niet.

Plaats van de afwijking

Afwijkend weefsel dat aan de buitenkant van de baarmoederhals ligt, is gemakkelijker met de colposcoop te controleren dan afwijkend weefsel in het kanaaltje van de baarmoederhals. Bij afwijkend weefsel aan deze binnenkant adviseert de gynaecoloog daarom sneller behandeling.

De kans dat de afwijking door weefselonderzoek al is weggenomen

Bij een lisbiopt bestaat de kans dat de hele afwijking al is weggenomen, maar ook bij een gewoon biopt is soms het afwijkende weefsel al 'weggehapt'.

Leeftijd

Vrouwen van bijvoorbeeld 20 tot 30 jaar hebben meer kans dat een uitstrijkje uit zichzelf normaal wordt dan vrouwen van 40 tot 50 jaar. Bij jongere vrouwen adviseert de gynaecoloog dan ook minder vaak een behandeling dan bij een wat meer gevorderde leeftijd.

Als de gynaecoloog behandeling niet nodig vindt, krijgt u vaak wel het advies om het uitstrijkje te laten controleren, bijvoorbeeld na een half jaar of een jaar. De gynaecoloog bespreekt met u of de huisarts dit doet of dat u hiervoor op de polikliniek terugkomt. U moet er rekening mee houden dat het een aantal jaren kan duren voordat het uitstrijkje zonder behandeling uit zichzelf weer normaal wordt.

Soorten behandelingen

Er zijn verschillende soorten behandelingen van de baarmoederhals. De soort behandeling is afhankelijk van de plaats van het afwijkende weefsel op de baarmoederhals en de ernst van de afwijking. De gynaecoloog geeft u hierover verdere informatie. Meestal is het raadzaam dat u niet menstrueert (ongesteld bent) tijdens een behandeling.

  • Elektrische behandeling: de lisexcisie (lisconisatie, hotloop)

    De gynaecoloog schilt bij deze ingreep met een metalen lisje het afwijkende weefsel weg. Daarna geneest de wond. Soms wordt deze ingreep ook een lisconisatie of hotloop (hete lis) genoemd.

    Hoe verloopt de behandeling?
    De behandeling staat beschreven bij Onderzoek door de gynaecoloog onder ‘Lisbiopsie’ op deze pagina.

  • Bevriezen: cryobehandeling

    De gynaecoloog bevriest bij deze ingreep het afwijkende weefsel van de baarmoederhals. Daarna geneest de wond.

    Hoe verloopt de behandeling?
    De behandeling gebeurt op de polikliniek en duurt ongeveer een kwartier. U neemt plaats in de gynaecologische onderzoekstoel. De arts brengt een speculum in de schede. Daarna plaatst hij of zij een metalen stift op de baarmoederhals. De stift is verbonden met een lang instrument dat vloeibare stikstof vervoert, en daardoor ijskoud wordt. Ook de plaats waar de arts de stift tegen de baarmoederhals aanhoudt, wordt ijskoud en bevriest. Na zo'n drie tot vijf minuten stopt de toevoer van vloeibare stikstof. De stift en de baarmoederhals ontdooien dan. Vaak wordt na enkele minuten de baarmoederhals een tweede keer voor een paar minuten bevroren.

    Wat voelt u ervan?
    Het bevriezen van de baarmoederhals geeft vaak een menstruatieachtig gevoel. Soms kunt u krampende buikpijn hebben. U kunt eventueel zo'n half uur voor het bevriezen een tablet tegen menstruatiepijn innemen.

    Na afloop
    Na afloop kunt u een vrij lange periode (soms wel zes weken) afscheiding hebben. In die periode wordt het bevroren weefsel afgestoten en geneest de wond. De afscheiding is vaak waterdun en ruikt nogal eens vies. 

  • Verdampen: laserbehandeling

    De gynaecoloog verdampt bij deze ingreep met een laserstraal het afwijkende weefsel van de baarmoederhals. Het sterft hierdoor af. Daarna groeit nieuw gezond weefsel aan.

    Hoe verloopt de behandeling?
    De behandeling vindt plaats onder plaatselijke verdoving, algehele verdoving (narcose) of met een ruggenprik. De behandeling onder plaatselijke verdoving duurt ongeveer een kwartier. U neemt plaats in de gynaecologische onderzoekstoel. De arts brengt een speculum in de schede in. Daarna wordt plaatselijke verdoving gegeven. Dit gebeurt met een dunne naald. De baarmoederhals wordt gekleurd met een azijnoplossing of jodium. Vervolgens verdampt de gynaecoloog het afwijkende weefsel met behulp van laserstralen. Informatie over opname in het ziekenhuis bij narcose of een ruggen­prik vindt u verderop in deze brochure.

    Wat voelt u ervan?
    Het inbrengen van de naald voor de plaatselijke verdoving geeft vaak kortdurend wat pijn. Als de verdoving gegeven is, voelt u over het algemeen weinig meer van de laserbehandeling zelf.

    Na afloop
    Na afloop kunt u geruime tijd afscheiding hebben.

  • Operatieve behandeling: conisatie

    Wat gebeurt er bij een conisatie?
    Bij een conisatie neemt de gynaecoloog een kegelvormig stukje van de baarmoederhals weg. Dit gebeurt met een mesje. Deze behandeling gebeurde vroeger vaak, maar wordt steeds meer vervangen door een behandeling met een lisje of laser, zoals hierboven beschreven.

    Hoe verloopt de behandeling?
    Deze ingreep vindt over het algemeen plaats onder narcose of soms met een ruggenprik en gebeurt via de schede. U krijgt dus geen litteken op uw buik. De operatie duurt kort.

    Wat voelt u ervan?
    Bij narcose of een ruggenprik voelt u niets van de ingreep. Soms heeft u als u weer wakker bent wat buikpijn.

    Na afloop
    Na een conisatie brengt de gynaecoloog soms een tampon in de schede. Deze tampon bestaat meestal uit een lang gaaslint. De urinebuis kan hierdoor een beetje dichtgedrukt worden, waardoor het plassen moeilijk kan zijn. Soms brengt men daarom een urinekatheter in de blaas. Deze wordt verwijderd nadat de tampon door de verpleegkundige uit de schede is gehaald. U heeft vaak ruim een week of langer bloedverlies. Dit wordt langzaam minder en gaat over in bruin-gelige afscheiding.

  • Behandeling onder narcose of met ruggenprik

    Op de polikliniek bespreekt de gynaecoloog wie de operatie gaat uitvoeren. Vaak is dit de gynaecoloog die u op de polikliniek gezien heeft. Maar het kan ook een collega zijn of een arts in opleiding tot gynaecoloog.

    Als besloten wordt tot een behandeling van de baarmoederhals onder narcose of met een ruggenprik gebeurt dit in dagbehandeling. Dat betekent dat u op de dag van opname behandeld wordt en dezelfde dag naar huis gaat. Vóór de operatie plaatsvindt, wordt u tijdens de preoperatieve screening onderzocht door de anesthesioloog. Op de dag van de ingreep moet u nuchter zijn: na 12 uur middernacht mag u niets meer eten en drinken.

    De narcose wordt toegediend via een naaldje in een ader van uw hand of arm. Dit gebeurt door de anesthesioloog. Als u wakker wordt, bent u eerst in de uitslaapkamer. Daarna brengt een verpleegkundige u naar de afdeling terug. U kunt wat suf zijn en soms wat buikpijn hebben. Ook kunt u zich misselijk voelen en een droge mond hebben. Dit wordt na een paar uur minder. Soms heeft u na de operatie een infuus. Dat is een zak met vloeistof die via een slangetje in de ader van uw hand of arm loopt. Meestal wordt dit enkele uren na de operatie of de volgende ochtend verwijderd. Na een dagbehandeling is het verstandig dat u uit het ziekenhuis wordt opgehaald. Zelf autorijden of met het openbaar vervoer naar huis gaan wordt afgeraden in verband met mogelijke naweeën van de narcose.

    Thuis kunt u over het algemeen uw dagelijkse werkzaamheden snel weer hervatten. Soms bent u de eerste dagen nog moe. Daarom is het verstandig deze eerste dagen niet te veel bezigheden te plannen. Bij de zorg voor een druk gezin is het misschien verstandig om de eerste dagen extra hulp te regelen. Bespreek dit zo nodig al met de gynaecoloog voor de operatie. 

    Na de behandeling
    Na behandeling van de baarmoederhals gelden de volgende adviezen:

    • Gebruik van tampons
      Het gebruik van tampons wordt afgeraden zolang er nog sprake is van bloedverlies of afscheiding na een behandeling. 

    • Seksualiteit
      Gemeenschap (samenleving) wordt over het algemeen afgeraden zolang er nog sprake is van bloedverlies of afscheiding na een behandeling. Tegen een orgasme (klaarkomen) bestaat geen bezwaar. De eerste keer weer gemeenschap hebben is vaak een eng idee. Toch kan er niets ernstigs gebeuren. Een enkele keer is er wat bloedverlies. De baarmoederhals is dan nog niet helemaal is genezen. Wacht dan nog wat langer met het hebben van gemeenschap. 

    • Zwemmen, baden en douchen
      We adviseren om niet te zwemmen of een bad te nemen zolang er nog bloederige afscheiding is. Van de douche kunt u gerust gebruik maken.

Wanneer contact opnemen?
In onderstaande gevallen moet u contact opnemen met de gynaecoloog.

  • Hevig bloedverlies
    Als u na een behandeling van de baarmoederhals veel vloeit, dus meer dan bij een forse menstruatie, is het verstandig met de gynaecoloog contact op te nemen. Na een lisexcisie of een conisatie is de kans hierop ongeveer 5 procent. 
  • Koorts
    Ook als u na de behandeling koorts krijgt, is dit een reden voor overleg met de gynaecoloog.

Controle

Na een behandeling van de baarmoederhals komt u enkele weken later terug op de polikliniek. De gynaecoloog bespreekt hoe het met u gaat. Als er weefsel is weggenomen zoals bij een lisexcisie of een conisatie, is dit inmiddels onderzocht. Over het algemeen is de uitslag hetzelfde als de uitslag van de biopsie. De gynaecoloog kijkt vaak hoe het genezingsproces van de baarmoederhals verloopt, en bespreekt met u hoe verdere controle plaatsvindt. Meestal wordt een uitstrijkje een half jaar, een jaar en twee jaar na de behandeling herhaald. Daarna wordt u, als de uitstrijkjes goed zijn, naar de huisarts terugverwezen.

Bij meer dan 90 procent van de vrouwen wordt het uitstrijkje na een behandeling weer normaal. Dit is een teken dat de behandeling goed gelukt is. In enkele gevallen blijkt het uitstrijkje na een behandeling nog steeds afwijkend. Bij de helft van deze vrouwen wordt het uitstrijkje uit zichzelf weer normaal, bij de andere helft blijft het afwijkend. De gynaecoloog doet dan opnieuw coloscopisch onderzoek. Afhankelijk van de bevindingen wordt met u besproken of een tweede behandeling noodzakelijk is. Bij enkele vrouwen ontstaat enige tijd na de behandeling opnieuw een afwijkend uitstrijkje. Daarom wordt na een behandeling in de eerste twee jaar enkele malen een uitstrijkje herhaald.

Complicaties en gevolgen

Complicaties op korte termijn van de verschillende behandelingen van de baarmoederhals zijn er nauwelijks. U blijft gewoon menstrueren. Over het algemeen zijn er geen problemen met zwanger worden, met de zwangerschap zelf of tijdens de bevalling. In uitzonderingsgevallen komen de volgende problemen voor:

  • Problemen bij het zwanger worden
    Na een behandeling maakt de baarmoederhals soms minder slijm aan. Slijm van de baarmoederhals is noodzakelijk voor zaadcellen om zich vanuit de schede naar de baarmoeder en de eierstokken te bewegen. In zeldzame gevallen kan te weinig slijmproductie een reden zijn dat zwanger worden moeilijk lukt. 
  • Problemen tijdens de zwangerschap
    Als bij een conisatie een groot stuk van de baarmoederhals is weggenomen, is kans op een vroeggeboorte licht verhoogd. Bij andere behandelingen komt dit probleem niet voor.
  • Problemen tijdens de bevalling
    In zeer zeldzame gevallen ontstaat er na een behandeling van de baarmoederhals heel sterk littekenweefsel. Het is mogelijk dat de baarmoederhals dan tijdens de bevalling moeilijker opengaat. 
  • Moeilijkheden bij het afnemen van uitstrijkjes
    Door sterk littekenweefsel kan de ingang van de baarmoederhals erg nauw worden, waardoor het moeilijk kan zijn cellen van de binnenkant van de baarmoederhals voor een uitstrijkje te krijgen. 
  • Pijnlijke menstruaties
    Als de baarmoederhals als gevolg van littekenweefsel erg nauw is geworden, kunnen menstruaties pijnlijker zijn dan voorheen.
    Deze complicaties klinken u misschien alarmerend in de oren. Maar u moet bedenken dat ze slechts zelden voorkomen. Bovendien worden ze vooral gezien na een behandeling waarbij een groot deel van de baarmoederhals met een mesje verwijderd is (conisatie). Bij lisexcisies, laserbehandelingen en bevriezen komen zij maar zeer zelden voor.

Tot slot

Een afwijkende uitslag van een uitstrijkje roept bij vrouwen vaak veel vragen en onzekerheden op. In deze brochure is geprobeerd om zo goed mogelijk uitleg te geven over verschillende onderzoeken en behandelingen. De gynaecoloog bespreekt met u welke medische zorg het meest geschikt is voor u, en is altijd bereid uw vragen te beantwoorden. Het kan handig zijn uw vragen van tevoren op papier te zetten.

Woordenlijst 

  • biopsie: het afnemen van een biopt

  • biopt: stukje weefsel dat wordt weggenomen voor weefselonderzoek 

  • cilindercellen: cellen die het kanaaltje van de baarmoederhals bekleden en slijm maken, ook wel endocervicale cellen genoemd 

  • CIN: uitslag van weefselonderzoek; afkorting voor cervicale intra-epitheliale neoplasie, een Engelse benaming voor dysplasie 

  • colposcoop: soort verrekijker die voor de ingang van de schede wordt geplaatst, waardoorheen de arts het weefsel van de baarmoederhals vergroot ziet 

  • colposcopie: onderzoek waarbij de arts door de colposcoop kijkt naar de baarmoederhals 

  • conisatie: ingreep waarbij met een mesje een kegelvormig stukje van de baarmoederhals wordt weggenomen 

  • cryobehandeling: ingreep waarbij afwijkend weefsel van de baarmoederhals wordt bevroren 

  • dysplasie: benaming van uitslag van weefselonderzoek: het betekent dat de opbouw van het weefsel anders is dan normaal, maar er is geen kanker (de Engelse naam hiervoor is CIN) 

  • endocervicale cellen: cellen die het kanaaltje van de baarmoederhals bekleden en slijm maken, ook wel cilindercellen genoemd 

  • HPV: afkorting van humaan papillomavirus (sommige soorten van dit virus komen vaker voor bij afwijkende uitstrijkjes) 

  • hotloop: andere benaming voor lisexcisie 

  • KOPAC: uitslag van een uitstrijkje, waarbij elke letter staat voor een onderdeel van de beoordeling 

  • lisbiopsie: het afnemen van een lisbiopt 

  • lisbiopt: een stukje weefsel dat met een verhit lisje wordt weggenomen voor onderzoek 

  • lisconisatie: andere benaming voor lisexcisie 

  • lisexcisie: ingreep waarbij met een verhit lisje het afwijkende weefsel wordt weggeschild 

  • laserbehandeling: ingreep waarbij met een laserstraal het afwijkende weefsel van de baarmoederhals wordt verdampt 

  • overgangszone: overgangsgebied op de baarmoederhals tussen plaveiselcellen en endocervicale of cilindercellen, zie ook transformatiezone 

  • Pap: uitslag van een uitstrijkje, genoemd naar Papanicolaou, degene die de indeling van de uitslagen van uitstrijkjes heeft gemaakt 

  • transformatiezone: overgangsgebied op de baarmoederhals tussen plaveiselcellen en endocervicale of cilindercellen; afwijkende uitstrijkjes zijn bijna altijd afkomstig uit dit gebied

Contact

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de polikliniek Gynaecologie. Telefoonnummer (038) 424 56 04, bereikbaar op werkdagen van 08.30 - 17.00 uur.

Bent u door uw huisarts of medisch specialist doorverwezen naar de polikliniek Gynaecologie in Zwolle, Kampen of Heerde? Of heeft u een vervolgafspraak? Dan bepaalt u voortaan zelf het best passende moment voor uw afspraak.

Heeft u binnenkort een afspraak bij de polikliniek Gynaecologie in Meppel of Steenwijk? Dan vindt u de tijd en plaats waar u wordt verwacht in uw afspraakbevestiging.

Bent u verhinderd? Neem dan zo snel mogelijk contact met ons op om een nieuwe afspraak te maken.

Verantwoording

Het copyright van en verantwoordelijkheid voor deze informatie berusten bij de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) in Utrecht. Waar nodig heeft Isala de tekst aangepast. Meer informatie vindt u op: www.nvog.nl, rubriek 'patiëntenvoorlichting'.


11 januari 2017 5378 Nee Nee

Stuur door

Door onderstaande invulvelden in te vullen, stuurt u deze informatie gemakkelijk door.
Aan emailadres*
   
Uw naam Uw emailadres*
   
Bericht