ISALA

Weergave

Om u de beste leesbaarheid te bieden, kunt u hier het lettertype en de achtergrondkleur naar wens aanpassen.

Lettertype


Achtergrond

Een operatie aan de onderrug

Bij een hernia of wervelkanaalvernauwing

​Een hernia of een wervelkanaalvernauwing wordt soms verholpen met een operatie aan de onderrug (lumbale wervelkolom). Hier vindt u informatie over de wervelkolom, de aandoening en de operatie.

Uitleg

De wervelkolom

De wervelkolom bestaat meestal uit 24 wervels: zeven nekwervels, twaalf borstwervels en vijf lendenwervels (afbeelding 1). Het kan als een normale anatomische variatie echter voorkomen dat er vier of zes lendenwervels aanwezig zijn. Verder zijn een heiligbeen en een staartbeentje aanwezig.

Afbeelding 1


Twee opeenvolgende wervels staan onderling met elkaar in verbinding door een tussenwervelschijf (discus) en gewrichtjes (afbeelding 2).

Afbeelding 2

Iedere tussenwervelschijf is opgebouwd uit twee substanties: een zachte kern in het midden (de nucleus pulposus) met daar omheen een harde ring (de annulus fibrosus) (afbeelding 3). 

 Afbeelding 3

De tussenwervelschijf heeft een schokdempende werking. Daarnaast laat hij bewegingen toe tussen de wervels onderling. In elke wervel bevindt zich een opening, het wervelgat (afbeelding 3). Alle wervels boven elkaar vormen zo het wervelkanaal, waarin zich het ruggenmerg en zenuwen bevinden (tot de tweede lendenwervel). Vanaf de tweede lendenwervel (naar beneden) bevinden zich in het kanaal alleen nog maar zenuwen en geen ruggenmerg meer. Vanaf de zijkant gezien is er tussen twee wervels een opening (foramen), waardoor een zenuw naar buiten komt.

Het begin van iedere zenuw wordt een zenuwwortel genoemd (afbeelding 4). Alle wervels zijn met elkaar verbonden door banden, gewrichten, kapsels en spieren. Gezamenlijk geven ze stabiliteit aan de wervelkolom en spelen ze een belangrijke rol bij het begeleiden van bewegingen. Het zijn met name de spieren die de rug beschermen tegen overbelasting in houding en beweging. Daarom is een goede spierkracht en spierbeheersing van groot belang.


Afbeelding 4
 

Hieronder staat een overzicht van de spiergroepen die verantwoordelijk zijn voor stabiliteit van de lage rug en het bekken (afbeelding 5):

  • A = buikspieren
  • B = bekkenbodemspieren en bilspieren
  • C = rugspieren
  • D = bovenbeenspieren
 
Afbeelding 5


 

 

Het zenuwstelsel

Zenuwen hebben vaak twee functies: ze geleiden gevoelsprikkels en ze geven signalen om spieren te laten functioneren. Bij druk op een zenuw is er daarom vaak een verandering van het gevoel (prikkelingsverschijnselen, een doof gevoel, pijn) en/of een geheel of gedeeltelijk uitvallen van spierfuncties. Soms komen deze verschijnselen voor in combinatie met rugklachten.

Houding

De rug en de afzonderlijke onderdelen ervan bepalen in sterke mate de houding van een mens. Maar de houding wordt ook bepaald door emotionele, psychische factoren en persoonsafhankelijke lichamelijke factoren en is daardoor individueel zeer verschillend. Daarom is het belangrijk dat u inzicht krijgt in uw eigen houding en hoe deze onder verschillende omstandigheden is. De fysiotherapeut kan u hierover meer vertellen. Ook krijgt u van hem zo nodig houdingscorrigerende oefeningen of adviezen.

Aandoeningen

Hernia

Op de tussenwervelschijf (de harde ring en de zachte kern) worden grote krachten uitgeoefend. Doordat deze tussenwervelschijf al vanaf het twintigste levensjaar de elastische eigenschappen begint te verliezen, is ‘slijtage’ van de tussenwervelschijf een normaal verouderingsproces. De conditie van de harde ring wordt door onderstaande factoren bepaald:

  • Een aangeboren slechte conditie van de tussenwervelschijf.
  • Een onjuiste houding, waarbij de lage rug overmatig belast wordt.
  • Veel zwaar werk in combinatie met verkeerd bewegen, waarbij de rug overbelast wordt overmatig lichaamsgewicht.
  • Roken.
  • Stress, dat wil zeggen: die situaties waarin u het gevoel heeft onder druk te staan. Dit gebeurt vanuit uzelf, bijvoorbeeld als reactie op de omgeving, en wordt sterk bepaald door uw persoonlijkheid. Het lichaam reageert soms met overmatige spanning. Hierdoor worden de bewegingen minder soepel. Dit gespannen bewegen vraagt meer kracht, hetgeen de totale belasting van het lichaam verhoogt. Het zal duidelijk zijn, dat hierbij ook de rug meer belast wordt.

Door deze factoren kan de harde ring verzwakken. Hierdoor is die niet meer opgewassen tegen de druk van de geleiachtige kern en de druk van buitenaf.

Bij het ontstaan van een hernia worden drie stadia onderscheiden:

  1. De verzwakte harde ring stulpt uit en kan druk geven op een zenuw.
  2. De harde ring is zodanig verzwakt, dat hierin scheuren ontstaan (afbeelding 6).
  3. Onder invloed van druk wordt de geleiachtige kern door de scheur(en) geperst; deze kern puilt vervolgens uit, waardoor extra druk op de zenuw ontstaat (afbeelding 7).
Afbeelding 6
 
Afbeelding 7
 

Bij druk op een zenuw door een hernia kunnen de volgende verschijnselen zich voordoen:

  • (Soms schietende) pijn in het been, meestal uitstralend vanuit de rug tijdens zitten, lopen en bukken.
  • Een doof gevoel, prikkelingen in het been of verlammingsverschijnselen van het been.
  • Een afwijkende houding, bijvoorbeeld scheefstand van de romp.

Wervelkanaalvernauwing (stenose)

Met name op wat oudere leeftijd kan het voorkomen dat er een vernauwing gaat ontstaan in het wervelkanaal, waardoor meerdere zenuwen ingeklemd kunnen raken (afbeelding 8). Men spreekt dan van een wervelkanaalstenose. Meestal komt dit door botvorming als gevolg van gewrichtsslijtage. Het is een aandoening die meestal een zeer geleidelijk verloop heeft. De verschijnselen kunnen zijn:

  • Pijn in een of beide benen, met name bij lang staan en/of lopen.
  • Doof gevoel, prikkelingen in de benen of verlammingsverschijnselen van de benen.
Afbeelding 8

Operatietechnieken

Over deze operatie geven we hier slechts de hoofdlijnen aan. Heeft u behoefte aan meer informatie, vraag dit dan gerust aan uw neurochirurg.

  • De operatiehouding is liggend op de knieën met de rug zo ver mogelijk voorover gebogen. Laag in de onderrug maakt de neurochirurg een huidsnede (het latere litteken). De rugspieren worden over een zo klein mogelijk deel losgemaakt en opzij geschoven.
  • Eventueel wordt een gedeelte van één of meerdere doornuitsteeksels samen met een gedeelte van de wervelboog weggehaald om toegang tot de (eventuele) hernia te verschaffen (dit wordt een laminectomie genoemd).
  • Daarna kan de neurochirurg de uitstulping van de geleiachtige kern weghalen, samen met het gedeelte dat eventueel nog in de kraakbeenring zit.
  • Bij een wervelkanaalvernauwing worden soms ook de extra botvormingen weggehaald en/of wordt het wortelkanaal ruimer gemaakt.
  • De neurochirurg controleert of de zenuw goed vrij ligt en sluit daarna de wond.
  • In sommige gevallen wordt een herniaoperatie via de kijkbuismethode (microdiscectomie) uitgevoerd. In dat geval ontstaat een beduidend kleiner wondgebied, waardoor het herstel na de operatie meestal sneller verloopt.

Hoe de ingreep bij u plaatsvindt, zal de neurochirurg vooraf met u bespreken.

Complicaties

Zoals bij iedere operatieve behandeling, bestaat ook bij deze operaties een risico op complicaties. Uw behandelend arts heeft mogelijke complicaties al met u besproken. Heeft u hier nog vragen over, dan kunt u die aan de arts stellen.

  • Bij iedere operatie wordt de huid, de barrière naar de buitenwereld, geopend en bestaat er dus een risico op een infectie.
  • Wordt er dieper geopereerd, dan worden diverse bloedvaatjes doorgesneden, die een nabloeding kunnen veroorzaken. Dit komt meestal zonder blijvende problemen goed – soms met een tweede ingreep, soms met antibiotica – maar het zorgt wel voor een vertraagd herstel.
  • Als de operatie aan of nabij zenuwen plaatsvindt, kan schade ontstaan aan die zenuwen. Vaak is het gevolg hiervan functieuitval: krachtverlies, gevoelstoornissen en tintelende pijn. De kans dat dit in een onherstelbare mate optreedt is klein, namelijk minder dan 3 procent. Totale uitval van alle onderste zenuwen treedt maar zeer zelden op (minder dan 3 promille), maar deze uitval is dan veel hinderlijker door problemen met urineren, ontlasting en seksuele functies.

Opname

Melden

U wordt één dag voor de operatie of op de operatiedag zelf opgenomen. Meldt u zich op de afgesproken tijd bij de Centrale balie in de Centrale hal van het ziekenhuis. Een gastheer of – vrouw brengt u vervolgens naar de verpleegafdeling.

Op de opnamedag heeft u een opnamegesprek met een verpleegkundige van de afdeling. Tijdens dit gesprek krijgt u informatie over de afdeling en de gang van zaken rondom de operatie. Ook heeft u uiteraard de gelegenheid om uw vragen te stellen.

Voorbereiding

Op de opnamedag vinden er een aantal voorbereidingen plaats:

  • Uw polsslag, bloeddruk en temperatuur worden gemeten.
  • Wanneer u nog geen ontlasting heeft gehad, wordt u zo nodig gelaxeerd. (Als u op de operatiedag zelf wordt opgenomen, dan zult u niet gelaxeerd worden. Heeft u problemen met de ontlasting, dan kunt u dit tijdens het opnamegesprek aangeven.)
  • Let op goede hygiëne rondom het operatiegebied voorafgaand aan de operatie.
  • Er worden instructies met u doorgenomen voor na de operatie, onder andere over de manier van draaien in bed, verplaatsen in bed en het bed uitkomen.
  • Tijdens het opnamegesprek wordt het verwachte operatietijdstip doorgegeven. Dit kan gedurende de dag nog wijzigen.

Operatie

  • De afdeling Neurochirurgie hanteert het Isala nuchterbeleid. Voor dit nuchterbeleid verwijzen wij u naar de opnamebrochure Verdoving.
  • Kort voordat u naar de operatiekamer wordt gebracht, krijgt u operatiekleding aan. Sieraden, een bril, hoorapparaat en kunstgebit mogen niet mee naar de operatiekamer. Verder krijgt u alvast medicijnen tegen de pijn (paracetamol) en een injectie tegen trombose (fraxiparine).
  • De verpleegkundigen van de afdeling brengen u naar de voorbereidingskamer van de operatieafdeling.
  • Na de operatie wordt u wakker op de uitslaapkamer. U ligt aan de monitor: op deze manier worden uw hartslag, ademhaling, bloeddruk en dergelijke gecontroleerd. Verder heeft u een infuus voor de vochttoediening en eventueel een wonddrain (dit is een slangetje bij de wond dat wondvocht en bloed afvoert). Als u pijn heeft of misselijk bent, krijgt u van de verpleegkundige medicijnen.
  • Als alle controles in orde zijn, geeft de anesthesist toestemming dat u naar de verpleegafdeling terug mag. U wordt opgehaald door de verpleegkundigen van de afdeling.
  • Wanneer u terug bent op de verpleegafdeling, zal de verpleegkundige regelmatig uw bloeddruk en polsslag controleren, evenals de beweeglijkheid, het gevoel en kracht in uw benen. De eerste zes uur na de laminectomie operatie moet u plat op uw rug blijven liggen. Daarna mag u met behulp van de verpleegkundigen op uw zij draaien. Ook krijgt u op de afdeling zo nodig medicijnen tegen de misselijkheid en tegen de pijn.
  • Het is belangrijk dat u binnen een aantal uren na de operatie geürineerd heeft, omdat anders de blaas vol kan raken en de blaaswand kan worden uitgerekt. Wanneer het niet lukt om te urineren na de operatie, wordt eenmalig een katheter in de blaas gebracht om deze te legen.
  • Na de operatie mag u het eten en drinken weer langzaam gaan proberen, afhankelijk van uw klachten over misselijkheid. Advies: geen koffie en warme maaltijd op de dag van de operatie.

De dag na de operatie

  • Wanneer u de dag na de operatie weer voldoende drinkt en geen medicatie meer via het infuus krijgt, verwijdert de verpleegkundige het infuus. Dit gebeurt meestal de ochtend na de operatie.
  • De wonddrain wordt ongeveer 24 uur na de operatie verwijderd.
  • De wond wordt verzorgd. Deze wordt gedesinfecteerd en van een schone pleister voorzien.
  • U wordt geholpen met het wassen en aankleden.
  • De dag na de operatie mag u voor de eerste keer onder begeleiding uit bed. Dit kan met de verpleegkundige of fysiotherapeut zijn. De fysiotherapeut geeft u verdere instructies voor de dag.

Resultaat

Na de operatie kunnen de klachten geheel verdwenen zijn. Maar het komt ook voor dat de pijnklachten van vóór de operatie nog aanwezig zijn. Dit is onder andere afhankelijk van:

  • de ernst en duur van de aandoening en/of klachten vóór de operatie
  • de uitgebreidheid van de operatie.

Pijn

Na de operatie kunnen de klachten geheel verdwenen zijn. Maar het komt ook voor dat de pijnklachten van vóór de operatie nog aanwezig zijn. Dit is onder andere afhankelijk van:

  • de ernst en duur van de aandoening en/of klachten voor de operatie
  • de uitgebreidheid van de operatie.

Pijn is alarmerend en beangstigend. Het maakt onzeker. De algemene en lokale lichaamsspanning worden hierdoor verhoogd. Dit maakt dat pijnsignalen worden versterkt en heftiger worden ervaren. Belangrijk is dat u zich niet te veel door de angst laat leiden. Ontspannen is hierbij belangrijk. Vertrouwen in uzelf, in dat wat u kunt en wat u geleerd en ervaren heeft, is een betere basis voor herstel.

Het herkennen van pijn is hierbij belangrijk. Er is verschil in wond- en zenuwpijn. Het is verstandig de zenuwpijn niet te veel te provoceren. De wondpijn is een geheel andere pijn. Het weer gaan belasten en bewegen op een rustige manier heeft een gunstige invloed op de wondpijn en wondgenezing. De totale wondgenezing duurt circa zes weken. Het herstel van het zenuwweefsel kan veel langer duren (tot enige maanden).

Draai-instructies

Van rug op linkerzij

  1. Beide knieën optrekken.
  2. De heupen een klein stukje naar rechts verplaatsen.
  3. De schouders een klein stukje naar rechts verplaatsen.
  4. Stap 2 en 3 zo nodig nog een keer herhalen.
  5. Linkerbeen recht neerleggen en de rechterknie gebogen houden.
  6. Met heupen en schouders in een rechte lijn op de linkerzij draaien. Niet draaien door af te zetten met het rechter been, maar door de rechter arm voorlangs naar links te bewegen.

Van rug op rechterzij

  1. Beide knieën optrekken.
  2. De heupen een klein stukje naar links verplaatsen.
  3. De schouders een klein stukje naar links verplaatsen.
  4. Stap 2 en 3 zo nodig nog een keer herhalen.
  5. Rechter been recht neer leggen en de linker knie gebogen houden.
  6. Met heupen en schouders in een rechte lijn op de rechter zij draaien. Niet draaien door af te zetten met het linker been, maar door de linker arm voorlangs naar rechts te bewegen.

Uit bed komen

  1. Om uit bed te komen is het juist makkelijker wanneer u op de rand van het bed ligt.
  2. Verder gaan met stap 5 en 6.
  3. Vanuit zijligging de benen buiten bed verplaatsen en met de armen/handen opdrukken tot zitstand. (zie afbeelding)

In bed gaan

Gaat op dezelfde manier als uit bed komen, maar dan in omgekeerde volgorde.

Van zitten naar staan

  1. Plaats handen op het bed, de stoelleuning of op de bovenbenen.
  2. Verplaats schouders boven de knieën.
  3. In een rustige vloeiende beweging gaan staan.
  

Nog aantal tips:

 
 

Fysiotherapie

In de fysiotherapeutische begeleiding komen veel aspecten naar voren rondom het bewegen en het aannemen van een juiste houding. Ook krijgt u van de fysiotherapeut instructies voor enkele activiteiten in het dagelijks leven. Bij dit alles gaat het beslist niet om het aanleren van trucjes, maar om te ervaren wat bewegen op verschillende manieren en vanuit verschillende houdingen betekent.

Houding en bewegen

De fysiotherapeut zal op de afdeling starten met het leren draaien en verplaatsen in bed en het begeleiden bij het uit bed komen. Daarna worden de oefeningen uitgebreid en wordt aandacht besteed aan:

  • Het leren stabiel houden van de lage rug en bekken tijdens bewegen instructies gericht op activiteiten van het dagelijks leven (gaan staan, gaan zitten, lopen, traplopen, enzovoort).
  • Instructies ter voorkoming van overmatig bewegen.
  • Het leren dat houding en beweging vanuit de benen worden opgebouwd, terwijl bekken en lage rug stabiel worden gehouden.
  • Het verbeteren van de conditie.
  • Pijn (aan de wond) kan een beperkende rol spelen bij het ontspannen bewegen. Angst voor pijn leidt tot een krampachtige houdingen gespannen bewegen. Door deze spanning wordt de pijn weer sterker ervaren en dit alles maakt het bewegen moeizamer. Hierdoor kan een vicieuze cirkel ontstaan, zoals is getekend in afbeelding 9.

Afbeelding 9
 

Van belang is dat deze cirkel wordt doorbroken. Bij het oefenen hopen we dat u ervaart wat de invloed is van het toelaten van pijn, het ontspannen en het durven bewegen. Gun uzelf hiervoor alle tijd en rust.

Belasting en belastbaarheid

De rode draad in onze begeleiding is het zoeken naar en ervaren van uw eigen grenzen. We bedoelen hiermee dat u leert in te schatten in welke mate u de rug kunt belasten. Er moet een evenwicht bestaan tussen lichamelijke belasting en belastbaarheid.


Afbeelding 10

 
Onder belasting verstaan we datgene wat als last ervaren kan worden, bijvoorbeeld:

Lichamelijke factoren:

  • dagelijkse activiteiten
  • zwaar werk/hobby
  • minder goede houding
  • overmatig lichaamsgewicht

Mentale factoren:

  • spanning
  • onzekerheid
  • angst

In afbeelding 10 ziet u een overzicht van verschillende lichaamshoudingen. De getallen geven de verhoudingen van de druk aan die in de tussenwervelschijven ontstaat bij verschillende houdingen. Uit de grafiek blijkt dat zitten een zwaardere belasting voor de onderrug is dan rechtop staan. Ook de voorovergebogen houding geeft een hoge belasting.

Belastbaarheid is datgene wat uw rug kan dragen, en wordt bepaald door de volgende factoren:

Lichamelijke factoren:

  • algehele conditie
  • spierkracht en spieruithoudingsvermogen
  • houding

Mentale factoren:

  • emotionele stabiliteit
  • persoonlijkheidsstructuur

Wanneer er geen evenwicht is tussen belasting en belastbaarheid, kunnen (rug)klachten ontstaan. In de fysiotherapeutische begeleiding na de operatie werkt u onder andere aan een verbetering van de belastbaarheid.

Aan de andere kant kan het ook nodig zijn dat u leert de belasting van de rug te verminderen. Dit kan door bijvoorbeeld juiste houdingen tijdens bewegen, gedoseerd bewegen, en rustiger werken. Wanneer de belasting van de rug meer is dan wat uw rug kan dragen, merkt u dat aan signalen van het lichaam, zoals spanning, moeheid en pijn. Het is heel belangrijk die signalen te herkennen en te leren luisteren naar uw lichaam. Op die manier leert u uw eigen grenzen kennen en hanteren. Dit kan betekenen dat u op het ene moment meer kunt dan op het andere. Voer uw lichamelijke belasting in activiteiten langzaam op, op basis van wat u aankunt.

Weer naar huis

Op een gegeven moment bent u zover dat u weer naar huis kunt. De fysiotherapeut in het ziekenhuis bepaalt in overleg met de verpleegkundige en u het moment van ontslag. Het belangrijkste criterium hierbij is dat u uw zelfverzorging thuis weer aankunt.

De fysiotherapeut draagt de behandeling over aan een collega uit een praktijk of instelling in uw omgeving. Dit gebeurt in overleg met u. Daarmee wordt de ziekenhuisfase afgesloten.

De overgang van ziekenhuis naar huis kan tegenvallen. De situatie thuis is anders dan in het ziekenhuis. Probeer te voorkomen dat u thuis weer in uw oude ritme van vóór de operatie vervalt: ‘Ik doe dit nog even’ en ‘dat moet nog af’.

De ontslagbrief van de neurochirurg wordt opgestuurd naar uw huisarts. Bij het ontslag krijgt u een afspraak mee voor controle over zes weken bij de neurochirurg.

In de eerste weken legt u de basis voor het uiteindelijke herstel. Neem hiervoor de tijd en de ruimte die u nodig heeft. Al lijkt het egoïstisch, u bent degene die er weer bovenop wilt komen. Dit vraagt geduld, tijd en rust. Laat uw omgeving duidelijk merken wat u wel en wat u niet aankunt. Zo creëert u een optimale situatie, waarin u zich goed kunt voelen.

Enkele adviezen voor de eerste 4 weken na de operatie:

  • Niet zelf autorijden en fietsen. U mag wel als bijrijder in de auto zitten en op de hometrainer fietsen.
  • Niet langer dan 30 minuten achtereen zitten (u mag wel vaker per dag zitten).
  • Maximaal 2 tot 5 kilo tillen (met het gewicht tegen het lichaam aan).
  • Lichte huishoudelijke werkzaamheden verrichten, maar niet stofzuigen, dweilen, schoonmaken, e.d.
  • Enkele malen per dag buiten lopen.
  • Rusten naar behoefte in een rustige omgeving en enkele malen per dag (luisteren naar uw lichaam, zelf uw grenzen bepalen).
  • Uw activiteiten geleidelijk aan uitbreiden.
  • Na 4 weken kunt u in overleg met uw behandelend fysiotherapeut starten met uw normale activiteiten, zoals werk en/of huishouden.
  • Pas als u zichzelf weer helemaal vertrouwt, bent u in staat uw aandacht te verleggen naar de dingen om u heen, bijvoorbeeld verkeerssituaties.
Let op
Voor patiënten die volgens de kijkbuismethode (microdiscectomie) zijn geopereerd, gelden dezelfde leefregels, maar in plaats van 4 weken, moet u 2 weken rustig aan doen.

Tot slot nogmaals het belangrijkste advies; leer luisteren naar uw eigen lichaam en leer omgaan met uw persoonlijke grenzen.

Contact

Heeft u vragen over een onderwerp, aarzel dan niet om aan uw behandelend arts of fysiotherapeut uitleg te vragen. Hij staat u graag te woord.

Polikliniek

Op werkdagen is afdeling Neurochirurgie bereikbaar tussen 8.30 en 17.00 uur via de secretaresse van uw neurochirurg.

NeurochirurgTelefoonnummer secretaresse
dr. T.T.A. Aalders(038) 424 5357
dr. W.A. van den Brink​(038) 424 5359
​dr. D. Nanda​(038) 424 5358
dr. M. Podlogar​(038) 424 7898


Verpleegafdeling

De verpleegafdeling Neurochirurgie is elke dag bereikbaar via telefoonnummer (038) 424 12 50. De afdeling is ook buiten werktijden bereikbaar. De verpleegkundige kan u zo nodig doorschakelen met de neurochirurg.

Afdeling Fysiotherapie

De afdeling Fysiotherapie is te bereiken via telefoonnummer (038) 424 23 05.

Meer informatie over neurochirurgie kunt u ook nalezen op de website van het Neurochirurgisch centrum Zwolle.

Wij wensen u een goede opname en een voorspoedig herstel toe!


15 mei 2017 5578 Ja Nee

Stuur door

Door onderstaande invulvelden in te vullen, stuurt u deze informatie gemakkelijk door.
Aan emailadres*
   
Uw naam Uw emailadres*
   
Bericht