ISALA

Weergave

Om u de beste leesbaarheid te bieden, kunt u hier het lettertype en de achtergrondkleur naar wens aanpassen.

Lettertype


Achtergrond

Verdoving (anesthesie)

Uitleg en voorbereiding

Hier leest u alles over de verschillende vormen van verdoving en pijnbestrijding tijdens en na een operatie.

Voorbereiding op uw operatie

Binnenkort ondergaat u een operatie. Uw behandelend specialist heeft u daarover geïnformeerd. Bij de operatie is een vorm van anesthesie (verdoving) nodig. De anesthesioloog is de arts die gespecialiseerd is in het toedienen van anesthesie. Tijdens de operatie is hij verantwoordelijk voor het goed en veilig verlopen van de anesthesie en voor de overige zorg rondom de operatie.

Preoperatief onderzoek

Met uw behandelend arts heeft u besproken dat u een operatieve ingreep zult ondergaan. De secretaresse van uw behandelend arts maakt daarom voor u een afspraak voor een preoperatief onderzoek. Dit is een onderzoek voorafgaand aan de operatie. Het kan zijn dat u al op het preoperatief spreekuur bent geweest op het moment dat u deze brochure leest. In dat geval kunt u de informatie over het preoperatief onderzoek overslaan.

Afspraak voor preoperatief onderzoek

Wanneer u voor het preoperatief onderzoek komt, is het belangrijk dat u het volgende meeneemt:

  • een geldig identiteitsbewijs (die is nodig om u aan te melden via de aanmeldzuilen)
  • een actuele verstrekkingslijst van alle medicijnen die u gebruikt. Heeft u deze niet, neem dan de originele verpakkingen mee van uw medicijnen
  • een volledig ingevulde preoperatieve vragenlijst (ook de achterkant).

Het kan voorkomen dat u op het afgesproken tijdstip bent verhinderd. Wij vragen u met nadruk om in dat geval zo spoedig mogelijk af te bellen. In uw plaats kunnen we dan een andere patiënt helpen.

Tijdens het preoperatief onderzoek heeft u een gesprek met de anesthesioloog en een gesprek met een verpleegkundige.

Gesprek met anesthesioloog

Anesthesie is meer dan alleen verdoven of in slaap brengen. Als u geopereerd wordt, heeft dit invloed op belangrijke lichaamsfuncties zoals uw bloedsomloop en ademhaling. De anesthesioloog controleert met behulp van apparatuur deze functies en behandelt zo nodig de verstoringen. Zo zorgt hij ervoor dat u de ingreep veilig doorstaat.

Het is dan ook van groot belang dat hij uitgebreid op de hoogte is van uw gezondheidstoestand, zodat eventueel extra maatregelen voor of tijdens uw ingreep kunnen worden getroffen. Om deze reden zal hij u tijdens het preoperatieve onderzoek onder andere vragen of u al eerder bent geopereerd en of u medicijnen gebruikt. Ook onderzoekt hij uw hart en longen. Soms zijn aanvullende onderzoeken noodzakelijk voordat u de operatie kunt ondergaan. De anesthesioloog zal dat met u bespreken.

Wanneer u zich zorgen maakt of vragen heeft over de anesthesie, kunt u dat in dit gesprek aangeven. De anesthesioloog kan u misschien geruststellen en antwoord geven op uw vragen. Overigens kan de anesthesioloog die u tijdens de operatie begeleidt, een ander zijn dan degene die het preoperatief onderzoek bij u uitvoert. Maar alle benodigde gegevens voor de anesthesie tijdens de operatie zijn op de operatiekamer aanwezig. De dienstdoende anesthesioloog is dus altijd op de hoogte van uw gegevens.

Als u bloedverdunners gebruikt, is het belangrijk dat u dit meldt tijdens uw gesprek met de anesthesioloog. Als u medicijnen gebruikt waarvoor u onder controle bent bij de trombosedienst moet u, zodra de operatiedatum bekend is, de trombosedienst van Isala bellen om hen te melden dat u een ingreep zult ondergaan. Het telefoonnummer van de trombosedienst is (038) 424 25 21.

Gesprek met de verpleegkundige

De verpleegkundige bespreekt met u welke afspraken zijn gemaakt over de voorbereiding op de operatie en over de nazorg. Tijdens het gesprek neemt ze een aantal vragen met u door die van belang zijn voor de verpleegafdeling. Ook inventariseert ze uw thuissituatie en de te verwachten nazorg. Daarnaast informeert ze u over eventuele hulpmiddelen en bij welke instantie u die kunt regelen.

Uw voorbereiding

Om de anesthesie zo goed en zo veilig mogelijk te laten verlopen is uw voorbereiding erg belangrijk. Hieronder staan de belangrijkste adviezen en afspraken op een rij.

Nuchter voor de operatie

Om ernstige complicaties zoals longontsteking te voorkomen, moet u voor de operatie nuchter zijn. Dit geldt voor zowel kinderen als volwassenen die geopereerd worden. Ouders en begeleiders vragen wij uitdrukkelijk hierop attent te zijn.

Bent u niet nuchter, dan kan de operatie niet doorgaan en wordt deze uitgesteld. De afdeling kan uw operatie in rekening brengen.

Let op
Voor een operatie moet u nuchter zijn om ernstige complicaties te voorkomen.
Dit houdt in:
- Vanaf zes uur voor de opname in het ziekenhuis niets meer eten.
- Tot twee uur vóór de opname alleen heldere vloeibare dranken gebruiken (thee, water of appelsap).
- Vanaf twee uur voor de opname in het ziekenhuis niets meer drinken.

Voorbeeld
U wordt om 15.00 uur verwacht in het ziekenhuis. Dit wordt ook wel de opnametijd genoemd. U mag dan vanaf 09.00 uur niets meer eten. Vanaf 13.00 uur mag u niets meer drinken.
 

Zes uur niet eten
Als u opgenomen wordt op de dag van de operatie mag u vanaf zes uur voor de opname in het ziekenhuis niets meer eten. Het is van groot belang dat uw maag tijdens de operatie leeg is, anders bestaat de kans dat er maaginhoud in uw longen terechtkomt. Dit kan een ernstige longontsteking veroorzaken.

Twee uur niet drinken
Tot twee uur vóór de opname mag u nog heldere vloeibare dranken gebruiken (thee, water, appelsap), tenzij de anesthesioloog dit anders met u heeft afgesproken.
Als u al vóór de dag van de operatie wordt opgenomen, krijgt u deze instructies op de afdeling.

Medicijnen

U kunt uw medicijnen gewoon innemen zoals u gewend bent, tenzij de arts anders met u heeft afgesproken. Het gebruik van bloedverdunnende medicijnen moet meestal drie tot zeven dagen vóór de operatie worden gestaakt. De anesthesioloog geeft u hierover instructies.

Niet roken

Het is verstandig om in de uren voor de operatie niet te roken. De ademhalingswegen van rokers zijn vaak geïrriteerd en daardoor gevoeliger voor ontstekingen. Bovendien kan hoesten na de operatie erg pijnlijk zijn. Ook heeft roken een negatieve invloed op de wondgenezing.

Cosmetica

U wordt met nadruk verzocht om op de dag van de operatie geen bodycrème, make-up of nagellak te gebruiken. Draagt u kunstnagels? Verwijder dan de kunstnagel van uw linkerwijsvinger. Wordt u aan uw linkerarm geopereerd, verwijder dan de kunstnagel van uw rechterwijsvinger.

Sieraden en hulpmiddelen

Vlak voordat u naar de operatiekamer gaat, krijgt u een operatiehemd aan. Draagt u sieraden of piercings zoals een horloge, ringen of oorbellen, dan vragen wij u deze af/uit te doen. U kunt deze het beste thuislaten of in overleg met de verpleegkundige op een veilige plek bewaren. Draagt u een bril of gebitsprotheses, laat deze dan ook achter op de verpleegafdeling. Een gehoorapparaat hoeft niet altijd verwijderd te worden.

Onze voorbereiding

Op de dag dat u zich meldt voor opname, krijgt u een vragenlijst. Vult u op deze lijst in of er sinds het preoperatief onderzoek (het gesprek met de anesthesioloog) veranderingen zijn opgetreden in uw gezondheidstoestand en/of medicijngebruik. Wanneer het van belang is, zal de anesthesioloog voor de operatie nog contact met u opnemen of langskomen.
Vóór de operatie zal de verpleegkundige eventueel nog enkele voorbereidende handelingen verrichten. Zo kan het zijn dat uw darmen leeg moeten zijn: u krijgt dan laxeermiddelen toegediend. Soms krijgt u van de verpleegkundige een tabletje en/of injectie om u voor te bereiden op de anesthesie; dit heet premedicatie. Hiervan kunt u slaperig worden. U krijgt vóór de operatie pijnstillende medicijnen. Deze kunnen tijdens de operatie inwerken, zodat u na de operatie minder pijn heeft.

Naar de operatiekamer

De verpleegkundige brengt u liggend in bed naar de operatiekamer. Daar ziet u de anesthesioloog en de anesthesiemedewerker. U wordt aangesloten op de bewakingsapparatuur. U krijgt plakkers op de borst om uw hartslag te meten en een klemmetje op de vinger om het zuurstofgehalte in uw bloed te controleren. De bloeddruk wordt via uw arm gemeten. Ook krijgt u in uw arm een infuus, zodat de anesthesioloog u tijdens de operatie zo nodig medicijnen kan toedienen.

Anesthesie tijdens de operatie

Er zijn verschillende vormen van anesthesie. Belangrijk is het onderscheid tussen algehele anesthesie (narcose) en regionale anesthesie (plaatselijke verdoving).

Narcose

Bij operaties onder narcose spuit de anesthesioloog via het infuus de anesthesiemiddelen in. Deze middelen werken zeer snel. U wordt volledig verdoofd en valt tijdelijk in een diepe slaap (narcose). In sommige gevallen wordt narcose gecombineerd met een (epidurale) ruggenprik of plexusanesthesie.

Plaatselijke verdoving

Sommige operatieve behandelingen kunnen onder een plaatselijke verdoving worden uitgevoerd. Alleen een gedeelte van uw lichaam wordt dan verdoofd. Dit kan op verschillende manieren gebeuren:
Bij operaties in de onderste lichaamshelft kan een zogenaamde (spinale) ruggenprik worden gegeven.
Bij operaties aan de arm of hand kan alleen de arm worden verdoofd door een injectie in de oksel of de hals. Dit wordt plexusanesthesie genoemd.

Bij operaties aan een been of voet is het soms mogelijk alleen het been te verdoven met injecties in de bil en/of het been. Soms wordt bij een plaatselijke verdoving ook een slaapmiddel gegeven, zodat u tijdens de ingreep slaperig en ontspannen bent. Dit wordt sedatie of een roesje genoemd.

Algehele anesthesie (narcose)

Bij algehele anesthesie wordt uw hele lichaam verdoofd. Doordat u tijdelijk buiten bewustzijn bent, merkt u niets van de operatie en zult u zich ook na afloop niets van de operatie herinneren. Tijdens de anesthesie zorgen de anesthesioloog en de anesthesieassistent voor de controle van uw ademhaling, hartslag en bloedsomloop. Omdat door de anesthesie de ademhaling vertraagt, wordt deze lichaamsfunctie bewaakt en eventueel overgenomen door middel van beademing.

Voor en tijdens de operatie

In de voorbereidingsruimte (holding) van de operatieafdeling wordt u op de bewakingsapparatuur aangesloten. Verder wordt een infuus in uw arm ingebracht, waardoor u vocht krijgt toegediend. Op de operatiekamer spuit de anesthesioloog via het infuus de narcosemiddelen in. U valt daarna binnen een halve minuut in een diepe slaap.

Voordat de operatie begint, plaatst de anesthesioloog een kunststof buis in uw keel voor de beademing. U merkt van het inbrengen van de buis niets want u bent dan al onder narcose.

Tijdens de operatie houdt de anesthesioloog of diens assistent u nauwlettend in de gaten. De anesthesioloog bewaakt en bestuurt tijdens de operatie de functies van uw lichaam. De bewakingsapparatuur stelt precies vast hoe uw lichaam op de operatie reageert. De anesthesioloog kan zo nodig uw ademhaling en bloedsomloop bijsturen. Ook dient hij medicijnen toe om de narcose te sturen of op peil te houden.

Na de operatie

Na de operatie brengen de anesthesioloog en de anesthesiemedewerker u naar de uitslaapkamer (recovery of verkoeverkamer). Dat is een aparte ruimte vlakbij de operatiekamer. Hier liggen patiënten die net zijn geopereerd en bijkomen van de anesthesie. Gespecialiseerde verpleegkundigen houden voortdurend uw toestand in de gaten, zorgen voor alles wat u nodig heeft en dienen eventueel voorgeschreven medicijnen toe. Het infuus blijft nog enige tijd zitten, afhankelijk van de operatie en uw toestand. Door het infuus kunnen vocht en medicijnen worden toegediend. De arm met het infuus mag u gewoon bewegen.

Het is niet toegestaan bezoek te ontvangen op de uitslaapkamer. Er zijn echter uitzonderingen. De recoveryverpleegkundige bepaalt of bezoek al dan niet mogelijk is.
Het kan zijn dat u op de recovery een slangetje in de neus heeft. Dit is voor het toedienen van extra zuurstof of om de maag leeg te houden. Een eventueel slangetje naar de blaas (katheter) zorgt ervoor dat de urine makkelijk wegvloeit. Het ziet er allemaal wat ongewoon uit, maar het zal uw herstel aanzienlijk bevorderen.

U wordt opgehaald door een verpleegkundige van uw verpleegafdeling zodra:

  • de narcose voldoende is uitgewerkt
  • uw bloeddruk en ademhaling stabiel zijn
  • pijn en/of misselijkheid onder controle zijn.

Na het ontwaken, kunt u last hebben van spierpijn, keelpijn en pijnlijke gewrichten. Dit komt doordat u tijdens de gehele operatie steeds in dezelfde houding heeft gelegen. Ook kunt u zich misselijk voelen. Deze klachten zijn tijdelijk en gaan vanzelf weer over. Bedenk dat uw lichaam zich aan het herstellen is van een ongewone situatie. De gebruikte anesthesiemiddelen zijn binnen een dag uitgewerkt. Uw lichaam zal echter nog enkele dagen tot weken nodig hebben om volledig te herstellen.

Intensive care

Het kan gebeuren dat u na de operatie nog enige tijd op een speciale bewakingsafdeling moet blijven omdat u intensieve zorg (intensive care) nodig heeft. Over het algemeen weet uw behandelend arts dit al vóór de operatie. Hij zal dit dan van tevoren met u bespreken.

Pijn

Bij het ontwaken uit de narcose kunt u pijn hebben aan de operatiewond. Onder het kopje Pijnbestrijding en pijnregistratie leest u hoe de verpleegkundigen met uw eventuele pijnklachten omgaan.

Bijwerkingen van narcose

Als u onder algehele anesthesie bent geopereerd, kunt u zich kort na de operatie nog slaperig voelen en af en toe wegdommelen. Dat is heel normaal. Ook kunt u misselijk zijn en moet u misschien overgeven. Helaas is misselijkheid na een ingreep niet altijd te voorkomen. Eventueel kunt u de verpleegkundige vragen om een pijnstiller of een middel tegen misselijkheid.

Het buisje dat tijdens de operatie in uw keel zat, kan door irritatie keelpijn geven. Die keelpijn verdwijnt vanzelf binnen een aantal dagen.

Veel mensen hebben dorst na een operatie. Als u mag drinken, doet u dit dan voorzichtig. Mag u niet drinken, dan kan de verpleegkundige uw mond nat maken om de ergste dorst weg te nemen.

Complicaties van de anesthesie

Anesthesie is tegenwoordig zeer veilig. Dit komt door verbetering van de bewakingsapparatuur, het beschikbaar komen van moderne geneesmiddelen en goede opleidingen van anesthesiologen en anesthesiemedewerkers.

Ondanks alle zorgvuldigheid zijn complicaties niet altijd te voorkomen. Zo kunnen er allergische reacties op medicijnen optreden. Ook kan uw gebit beschadigd worden tijdens het inbrengen van het beademingsbuisje. En door een ongelukkige houding tijdens de operatie kan een zenuw in de arm of het been beklemd raken, waardoor tintelingen en krachtverlies ontstaan.

Het optreden van ernstige complicaties door anesthesie is vrijwel altijd te wijten aan een calamiteit of hangt samen met uw gezondheidstoestand voor de operatie. Vraagt u daarom aan uw anesthesioloog of de anesthesie in uw geval bijzondere risico’s met zich meebrengt.

Naar huis

Door de anesthesie kunt u tijdelijk minder snel reageren. Wanneer u op de operatiedag naar huis mag, dan moet u ervoor zorgen dat u de eerste 24 uur na ontslag uit het ziekenhuis niet alleen thuis bent. Ook mag u niet zelf naar huis rijden en moet iemand u begeleiden bij het naar huis gaan. Verder mag u die dag geen gevaarlijke machines bedienen en geen belangrijke beslissingen nemen.

Let op
Mocht u geen vervoer of opvang kunnen regelen op de operatiedag, dan moet u dit melden. U blijft dan een nacht in ons ziekenhuis.
Zorg dat u voldoende pijnstillers in huis hebt zoals paracetamol, ibuprofen of diclofenac.
 
Doe het thuis de eerste 24 uur na de operatie rustig aan. U kunt het beste licht verteerbare voedingsmiddelen eten en drinken. Houdt u zich verder goed aan de instructies die u krijgt van de arts die u heeft geopereerd.
 
Het is heel gewoon dat u zich na een operatie nog enige tijd niet fit voelt. Dat ligt niet alleen aan de anesthesie, maar ook aan de ingrijpende gebeurtenis die iedere operatie nu eenmaal is. Het lichaam moet zich in zijn eigen tempo herstellen. Dat heeft tijd nodig.
 

Ruggenprik

Over de ruggenprik bestaan nogal wat misverstanden. Veel mensen denken dat het erg pijnlijk is. De meeste patiënten die op deze manier zijn verdoofd, vinden het erg meevallen. Alleen de prik door de huid wordt als pijnlijk ervaren. Deze prik is te vergelijken met die voor het afnemen van bloed.

Er bestaan meerdere soorten ruggenprikken. De belangrijkste zijn:

  • spinale ruggenprik
  • epidurale ruggenprik.

Spinale ruggenprik

De meest bekende ruggenprik is de spinaal of spinale anesthesie. Deze prik wordt gebruikt bij operaties die beneden het navelgebied plaatsvinden. U wordt dan vanaf de navel volledig verdoofd. Wel blijft u bij bewustzijn. Als u dat wilt, kunt u meestal wel een slaapmiddel (sedatie) krijgen zodat u ‘niet alles meemaakt’.

Gang van zaken

De anesthesioloog vraagt u te gaan zitten of op een zij te gaan liggen en de rug goed bol te maken. Met een heel dun naaldje prikt de anesthesioloog net door de ruggenmergvliezen en spuit daar het verdovingsmiddel. Als de verdoving is ingespoten, merkt u eerst dat uw benen warm worden en gaan tintelen. Later worden ze gevoelloos en slap, evenals de rest van uw onderlichaam.

Het kan een enkele keer voorkomen dat spinale anesthesie onvoldoende werkt. In sommige gevallen kan de anesthesioloog nog wat extra verdoving geven. In andere gevallen is het beter om voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld algehele anesthesie (narcose). De anesthesioloog zal dat dan met u overleggen.

Na de operatie

Na de operatie brengen de anesthesioloog en de anesthesiemedewerker u naar de uitslaapkamer (recovery of verkoeverkamer). Dat is een aparte ruimte vlakbij de operatiekamer, waar patiënten liggen die net geopereerd zijn en bijkomen van de anesthesie. Gespecialiseerde verpleegkundigen houden voortdurend uw toestand in de gaten. Zij zorgen voor alles wat u nodig heeft en dienen eventueel voorgeschreven medicijnen toe. Het infuus blijft enige tijd zitten. Door het infuus kunnen vocht en medicijnen worden toegediend. De arm met het infuus mag u gewoon bewegen.

Het is niet toegestaan bezoek te ontvangen op de uitslaapkamer. Er zijn echter uitzonderingen. De recoveryverpleegkundige bepaalt of bezoek al dan niet mogelijk is.

Na ongeveer een uur gaat u terug naar de verpleegafdeling. Afhankelijk van het gebruikte medicijn kan het één tot drie uur duren voordat de verdoving volledig is uitgewerkt. U merkt dat doordat de benen gaan tintelen. De beweging komt het eerste terug en het gevoel het laatst. Als de verdoving volledig is uitgewerkt, heeft u weer de normale spierkracht en de beheersing over uw spieren.

Hoewel minder vaak dan na algehele anesthesie, komt misselijkheid na een verdoving met een ruggenprik wel voor. Vraagt u dan om een middel om de misselijkheid tegen te gaan.

Pijn

Wanneer de verdoving is uitgewerkt, kan pijn optreden. Onder het kopje Pijnbestrijding en pijnregistratie leest u hoe de verpleegkundigen met uw eventuele pijnklachten omgaan.

Bijwerkingen en complicaties

Als bijwerking van een ruggenprik kan een lage bloeddruk optreden. De anesthesioloog is hierop bedacht en zal daartegen maatregelen nemen. Soms komt het voor dat het verdoofde gebied zich wat verder naar boven uitbreidt. U merkt dat doordat uw handen gaan tintelen. In een enkel geval kan de ademhaling moeilijker gaan. De anesthesioloog zal u dan extra zuurstof toedienen. Meestal zijn de problemen daarmee opgelost.

Een spinale ruggenprik blokkeert ook de normale werking van de blaas. Het plassen kan daardoor moeilijker gaan of zelfs onmogelijk zijn. Met kortwerkende verdovingsmiddelen (die voor een korte ingreep in dagbehandeling gebruikt worden) is uw blaasfunctie meestal al hersteld voordat uw blaas overvol is. Het is dan ook belangrijk goed uit te plassen voor de ingreep. Een enkele keer kan het nodig zijn de blaas met een katheter (slangetje) leeg te maken.

Bij het gebruik van langwerkende verdovingsmiddelen wordt altijd een blaaskatheter ingebracht. Hier voelt u weinig van, omdat dit gebeurt na de ruggenprik en het gebied dan verdoofd is.

Het komt voor dat de plaats van de prik op de rug wat gevoelig is. Dit gaat na verloop van tijd vanzelf over. Heeft u op een andere plek rugpijn, dan kan dit komen door de houding tijdens de operatie. Deze pijn verdwijnt meestal binnen enkele dagen.

Ook kan na een ruggenprik hoofdpijn optreden. Bij patiënten tussen de vijftien en 25 jaar komt dit slechts bij 0,3 procent van de patiënten voor. Hoe verder u de 25 bent gepasseerd, hoe kleiner de kans wordt op hoofdpijn. Deze hoofdpijn onderscheidt zich van ‘gewone’ hoofdpijn. De pijn wordt minder bij platliggen en juist erger bij overeind komen. De hoofdpijn kan meteen na de ingreep optreden, maar kan ook pas na 24 uur beginnen. Meestal verdwijnt deze hoofdpijn binnen een week vanzelf. Als de klachten zo hevig zijn dat u het bed moet houden, neemt u dan contact op met de anesthesioloog.

Naar huis

Door de anesthesie kunt u tijdelijk minder snel reageren. Wanneer u op de operatiedag naar huis mag, dan moet u ervoor zorgen dat u de eerste 24 uur na ontslag uit het ziekenhuis niet alleen thuis bent.
Ook mag u niet zelf naar huis rijden en moet iemand u begeleiden bij het naar huis gaan. Verder mag u die dag geen gevaarlijke machines bedienen en geen belangrijke beslissingen nemen.

Let op
Mocht u geen vervoer of opvang kunnen regelen op de operatiedag, dan moet u dit melden. U blijft dan een nacht in ons ziekenhuis.

Doe het thuis de eerste 24 uur na de operatie rustig aan. U kunt het beste licht verteerbare voedingsmiddelen eten en drinken. 

Het is heel gewoon dat u zich na een operatie nog enige tijd niet fit voelt. Dat ligt niet alleen aan de anesthesie, maar ook aan de ingrijpende gebeurtenis die iedere operatie nu eenmaal is. Het lichaam moet zich in zijn eigen tempo herstellen. Dat heeft tijd nodig.

Epidurale ruggenprik

Van operaties in de buik of borstholte is bekend dat die na afloop zeer pijnlijk kunnen zijn. Pijnstilling met morfine is dan vaak onvoldoende of gaat gepaard met bijwerkingen zoals sufheid en misselijkheid. Daarom kiest de anesthesioloog er meestal voor om bij dergelijke grote operaties een combinatie te geven van epidurale pijnstilling en algehele anesthesie.

Door middel van de epidurale techniek worden tijdens en na de ingreep de zenuwen die naar het wondgebied gaan verdoofd. Bij de epidurale ruggenprik wordt een slangetje in de rug gebracht, dat net buiten de ruggenmergvliezen komt te liggen. Via een pompje, dat op dit slangetje aangesloten wordt, kunnen medicijnen toegediend worden. Zo kan de verdoving dagenlang in stand worden gehouden. De zenuwwortels van het wondgebied worden daarbij verdoofd.

Gang van zaken

U krijgt een infuus en wordt aangesloten op de bewakingsapparatuur. Daarna moet u gaan zitten en zal de anesthesioloog u vragen de rug bol te maken. De huid wordt eerst goed verdoofd zodat u van de echte prik niet veel meer zult voelen. De verdoving zelf kan kort een branderig gevoel geven.

Daarna zoekt de anesthesioloog met een speciale naald de epidurale ruimte op: de ruimte tussen de binnenzijde van het wervelkanaal en het harde ruggenmergvlies. Dit is een secuur werkje omdat de naald niet door de ruggenmergsvliezen mag gaan. Het kan enkele minuten duren voordat de anesthesioloog de ruimte heeft gevonden. Een enkele keer zijn er meerdere pogingen nodig voordat de naald op de goede plek zit. Omdat de rug goed verdoofd is, zult u het prikken slechts als een wat duwend of drukkend gevoel in de rug ervaren.

Als de naald op zijn plek zit, zal de anesthesioloog er een heel dun slangetje doorheen voeren. Soms kunt u dan een soort elektrisch schokje voelen. Dit kan geen kwaad, maar meldt u dit wel. Als het slangetje op zijn plaats zit, wordt de naald verwijderd en wordt alles goed vastgeplakt. Daarna gaat u weer op de rug liggen en wordt u in slaap gebracht. Het slangetje is zo dun dat u er bij het liggen weinig hinder van ondervindt. Meestal geeft een epiduraal uitstekende pijnstilling met weinig bijwerkingen.

Omdat de epidurale verdoving de normale blaasfunctie verstoort, krijgt u ook een slangetje in de blaas. Deze urinekatheter blijft zitten zolang de epiduraal gebruikt wordt.

Na de operatie

Na de operatie krijgt u met een pomp continu verdovingsmiddel toegediend via de epiduraal katheter. Deze pomp gaat ook mee naar de verpleegafdeling en zal meestal zo’n 48 uur gebruikt worden. Als het nodig is, kunt u de pomp langer gebruiken. U zult regelmatig worden gecontroleerd door medewerkers van de afdeling Acute Pijnservice. In tegenstelling tot bij een spinale ruggenprik zullen uw benen niet volledig slap zijn en kunt u ze wel bewegen. U moet wel rekening houden met enige spierzwakte in de benen.

Bijwerkingen en complicaties

Eén van de middelen die via de epidurale katheter wordt toegediend kan jeuk veroorzaken. De samenstelling van de middelen kan in dat geval worden aangepast. Sporadisch kan er in de rug een bloeding of ontsteking optreden. Dit merkt u door de volgende signalen:

  • pijn in de rug
  • het optreden van een doof gevoel in een gebied dat u eerder goed kon voelen
  • krachtsverlies in spieren die u eerder goed kon gebruiken.

Treden bovenstaande klachten op, geef dit dan zo snel mogelijk aan. De anesthesioloog kan dan beoordelen wat er aan de hand is en wat er aan gedaan moet worden.

Plexusanesthesie

Een arm of been kan worden verdoofd door de zenuwknoop (plexus) die naar uw arm of been loopt, tijdelijk uit te schakelen. Dit gebeurt door rond de zenuwen een verdovingsmiddel te spuiten, bijvoorbeeld in de oksel of in de hals.

Gang van zaken

Nadat u bent aangesloten op de bewakingsapparatuur, prikt de anesthesioloog met een naald op de plaats waar de zenuwen lopen die gaan naar het gebied dat verdoofd moet worden. Met een klein elektrisch stroompje wordt de zenuw geprikkeld. Als de naald vlak in de buurt van de zenuw is, zal uw arm/been onwillekeurig gaan bewegen. Door te kijken welke spieren bewegen, weet de anesthesioloog bij welke zenuw de punt van de naald zich bevindt en of hij die moet verdoven.

Steeds vaker wordt er ook met een echo gekeken, zodat het prikken makkelijker of meer precies gaat. Het is belangrijk dat u tijdens het prikken stil blijft liggen. Als de naald op de goede plaats zit, spuit de anesthesioloog het verdovende middel in. Korte tijd later merkt u dat uw arm of been gaat tintelen en warm wordt. Later verdwijnt het gevoel en kunt u uw arm of been niet meer bewegen. De verdoving moet vijftien tot dertig minuten inwerken voordat het effect optimaal is.

Om u tijdens de operatie zo nodig medicijnen te kunnen toedienen, krijgt u een infuus.

Tijdens de operatie blijft u wakker. Als u toch liever slaapt, kunt u om een slaapmiddel vragen. U ziet trouwens niets van de operatie, het operatieterrein wordt met doeken afgeschermd. Het kan voorkomen dat de verdoving bij u onvoldoende werkt. Soms kan de anesthesioloog nog wat extra verdoving geven. In uitzonderlijke gevallen is het beter voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld algehele anesthesie (narcose). De anesthesioloog zal dat met u overleggen.

Bij operaties aan de schouder wordt vaak een plexusanesthesie toegepast met een prik in de hals of nek. Dit is met name voor pijnstilling na de operatie. U krijgt dan voor de ingreep ook een algehele anesthesie.

Na de operatie

Na de operatie brengen de anesthesioloog en de anesthesiemedewerker u naar de uitslaapkamer (recovery of verkoeverkamer). Dat is een aparte ruimte vlakbij de operatiekamer, waar patiënten liggen die net zijn geopereerd en bijkomen van de anesthesie. Gespecialiseerde verpleegkundigen houden voortdurend uw toestand in de gaten. Zij zorgen voor alles wat u nodig heeft en dienen eventueel voorgeschreven medicijnen toe. Het infuus blijft soms nog enige tijd zitten. Door het infuus kunnen vocht en medicijnen worden toegediend. De arm met het infuus mag u gewoon bewegen.

Het is niet toegestaan bezoek te ontvangen op de uitslaapkamer. Er zijn echter uitzonderingen. De recoveryverpleegkundige bepaalt of bezoek al dan niet mogelijk is.

Na de operatie kunt u weer snel naar de verpleegafdeling. Afhankelijk van het gebruikte medicijn kan het twee tot zes uur duren voordat de verdoving volledig is uitgewerkt. Soms duurt het echter twaalf tot 24 uur. U merkt dat doordat de verdoofde arm gaat tintelen. De beweging komt het eerste terug en het gevoel het laatst. Als de verdoving volledig is uitgewerkt, heeft u weer de normale spierkracht en beheersing over uw spieren.

Na een plexusanesthesie van een arm hoeft u niet in het ziekenhuis te blijven totdat de verdoving is uitgewerkt. Of en wanneer u naar huis mag, hangt af van de operatie. Zolang de arm verdoofd is, blijft de arm in een draagdoek (mitella). Zolang het been nog verdoofd is, kunt u niet op het been staan of lopen. U heeft dan een rolstoel of krukken nodig.

Pijn

Wanneer de verdoving is uitgewerkt, kan pijn optreden. Onder het kopje Pijnbestrijding en pijnregistratie leest u hoe de verpleegkundigen met uw eventuele pijnklachten omgaan.

Bijwerkingen en complicaties

Het kan zijn dat u, nadat de verdoving is uitgewerkt, nog enige tijd last heeft van tintelingen in de arm en de hand. Deze worden veroorzaakt door irritatie van de zenuwen (door de prik) of door de gebruikte medicijnen. De tintelingen verdwijnen in de meeste gevallen in de loop van weken tot maanden vanzelf.

Ook al wordt het verdovingmiddel rondom de zenuw gespoten, uiteindelijk komt dit toch in de bloedbaan terecht waarna het door het lichaam wordt afgebroken. Als er veel verdovingsmiddel in uw bloed komt, kan dit zich uiten in een metaalachtige smaak in de mond, tintelingen rond de mond, een slaperig gevoel of oorsuizen. In zeer zeldzame gevallen kan het leiden tot hartritmestoornissen of bewustzijnsdaling. Omdat u tijdens en na de ingreep voortdurend wordt bewaakt, is behandeling goed mogelijk.

Naar huis

Door de anesthesie kunt u tijdelijk minder snel reageren. Wanneer u op de operatiedag naar huis mag, moet u ervoor zorgen dat u de eerste 24 uur na ontslag uit het ziekenhuis niet alleen thuis bent. Ook mag u niet zelf naar huis rijden en moet iemand u begeleiden bij het naar huis gaan. Verder mag u die dag geen gevaarlijke machines bedienen en geen belangrijke beslissingen nemen.

Let op
Mocht u geen vervoer of opvang kunnen regelen op de operatiedag, dan moet u dit melden. U blijft dan een nacht in ons ziekenhuis.
Doe het thuis de eerste 24 uur na de operatie rustig aan. U kunt het beste licht verteerbare voedingsmiddelen eten en drinken.
 
Het is heel gewoon dat u zich na een operatie nog een tijd lang niet fit voelt. Dat ligt niet alleen aan de anesthesie, maar ook aan de ingrijpende gebeurtenis die iedere operatie nu eenmaal is. Het lichaam moet zich in zijn eigen tempo herstellen. Dat heeft tijd nodig.
 

Sedatie

Soms kan een locale verdoving gecombineerd worden met sedatie. Het doel van sedatie is dat u wat slaperig wordt, zodat de operatie voor u minder belastend is. Deze slaperigheid treedt direct na toediening op. Hoe slaperig u zult worden, is niet te voorspellen. Maar ook als u niet slaapt, zult u de operatie meer ontspannen ondergaan.

Gang van zaken

De anesthesioloog dient het slaapmiddel toe via het infuusnaaldje in uw arm of hand. Meestal werkt het medicijn vrij snel.

Bijwerkingen van sedatie

Door de sedatie kan het voorkomen dat u oppervlakkig gaat ademen. Eventueel krijgt u dan wat extra zuurstof toegediend.

Pijnbestrijding en pijnregistratie

Na uw operatie wordt u mogelijk geconfronteerd met pijn. Pijn is een vervelende bijkomstigheid van veel ziektes en van operaties. Goede pijnstilling is noodzakelijk omdat dit bijdraagt aan een vlotter herstel. Onvoldoende pijnstilling kan effectief hoesten belemmeren, uw slaap verstoren en uw herstel vertragen. Maar te veel pijnmedicatie geeft kans op bijwerkingen. Pijn is echter van patiënt tot patiënt verschillend. Daarom is goede pijnbestrijding maatwerk. Op de verpleegafdelingen van Isala wordt pijn geregistreerd aan de hand van de pijnscore.

Pijnscore

Om een duidelijk beeld te krijgen hoe uw pijn verloopt en of de pijnverlichtende maatregelen voldoende effect hebben, zal de verpleegkundige u een aantal keren per dag vragen hoeveel pijn u heeft. U kunt uw pijn op twee manieren aangeven: met een cijfer op de NRS-schaal of met een plaatje op de VAS-schaal.

Met een cijfer op de NRS-schaal

NRS staat voor ‘numeric rating scale’ en is een aanduiding op een schaal van 0 (geen pijn) tot en met 10 (meest erge pijn die u zich kunt voorstellen). Bij het geven van een pijncijfer kunt u het beste terugdenken aan de pijn die u voorheen had en die vergelijken met uw huidige situatie. Pijnscore 4 of lager is acceptabele pijn. U kunt nooit een verkeerd cijfer geven; het gaat immers om de pijn die u ervaart.

Met een plaatje op de VAS-schaal

U kunt ook gebruik maken van een liniaal met gezichtjes. VAS staat voor visueel-analoge schaal. Aan de linkerzijde staat de uitspraak ‘geen pijn’ en aan de rechterzijde ‘de grootst mogelijke pijn die ik me kan voorstellen’.

Het kan zijn dat u op meerdere plaatsen pijn heeft. Bijvoorbeeld pijn als gevolg van de operatie of behandeling en pijn als gevolg van het verkeerd of langdurig in bed liggen. Het is de bedoeling dat u de pijn die u als ergst ervaart, uitdrukt in een cijfer of plaatje. Alle informatie die u kunt geven over uw pijnbeleving helpt ons om u gerichter te kunnen behandelen.

Aan de hand van uw pijnscore zal de verpleegkundige al dan niet uw pijnmedicatie aanpassen. Als er onduidelijkheden zijn, zal ze overleggen met de arts. Overigens zult u niet geheel pijnvrij zijn, maar de pijn moet wel draaglijk zijn.

Verschillende manieren van pijnbestrijding

De anesthesioloog heeft met u afgesproken welke vorm van pijnbestrijding u zult krijgen. Hieronder staan de drie vormen.

Medicijnen

Tijdens uw opname kunt u pijnbestrijding krijgen in de vorm van tabletten, zetpillen of via het infuus. U krijgt als basispijnstilling paracetamol, al dan niet in combinatie met diclofenac. Dit kan aangevuld worden met een sterker medicijn of andere vormen van pijnstilling.

PCA-pomp

PCA staat voor Patient Controlled Analgesia, dat wil zeggen: patiëntgecontroleerde pijnbestrijding. Een PCA-pomp stelt u in staat uzelf kleine hoeveelheden pijnstillende middelen te geven, zodat u niet op een verpleegkundige hoeft te wachten. Als u een pijnaanval heeft, kunt u op de groene knop drukken. Het effect zal na enige tijd merkbaar zijn. Is dit onvoldoende, dan kunt u nogmaals op de groene knop drukken. Herhaal dit tot de pijn voor u aanvaardbaar is. U hoeft niet ongerust te zijn dat u zichzelf te veel pijnstillende middelen geeft, want de concentratie en de hoeveelheid zijn zorgvuldig berekend.

U kunt de PCA-pomp gedurende enkele dagen gebruiken. Een medewerker van de afdeling Acute Pijnservice komt regelmatig bij u langs gedurende de tijd dat u een PCA-pomp heeft. U kunt haar dan ook uw eventuele vragen stellen.

Epiduraal

Bij epidurale pijnbestrijding wordt een slangetje in de rug geplaatst. Via deze weg kan pijnmedicatie toegediend worden.

Contact

Deze informatie vormt een aanvulling op de mondelinge informatie van uw behandelend arts en/of anesthesioloog. Mocht u vragen hebben of wilt u graag een toelichting, dan staan de anesthesioloog of de verpleegkundige u graag te woord. Ook kunt u telefonisch contact opnemen met de polikliniek en desgewenst een afspraak maken met een van de anesthesiologen, t (038) 424 51 93. Voor vragen over de ingreep en informatie over de operatiedatum kunt u bellen met de verwijzende polikliniek.

Heeft u binnenkort een afspraak? Dan vindt u tijd en plaats waar u verwacht wordt in uw afspraakbevestiging.


16 april 2014 5950 319015 Nee

Stuur door

Door onderstaande invulvelden in te vullen, stuurt u deze informatie gemakkelijk door.
Aan emailadres*
   
Uw naam Uw emailadres*
   
Bericht