ISALA

Weergave

Om u de beste leesbaarheid te bieden, kunt u hier het lettertype en de achtergrondkleur naar wens aanpassen.

Lettertype


Achtergrond

Kwaadaardige primaire hersentumoren

Bijlage van het PID Hersentumor

​In de hersenen kunnen zowel goedaardige als kwaadaardige tumoren ontstaan. Hier vertellen wij u meer over de meest voorkomende kwaadaardige primaire hersentumor: een glioom.

Gliomen

De meest voorkomende primaire hersentumor is het glioom. Er is sprake van een woekering van gliacellen, dit zijn de steuncellen van de zenuwcellen. Er zijn verschillende soorten steuncellen. Tumoren worden genoemd naar het type steuncel waar ze uit ontstaan. Zo ontstaan astrocytomen uit astroctyten (stervormige cellen) en oligodendrogliomen uit oligodendrocyten.

De mate van kwaadaardigheid van de tumor wordt beoordeeld door de patholoog aan de hand van het weefsel dat bij de operatie is verwijderd. Hij beoordeelt met behulp van een microscoop de eigenschappen van het weefsel. Dit onderzoek duurt minimaal een week. De neurochirurg zal de uitslag met u bespreken zodra deze bekend is.

Oorzaak

De oorzaak van het ontstaan van kwaadaardige primaire hersentumoren is slechts voor een deel bekend. Tumorgroei ontstaat door ontregelde celdeling en deze ontstaat altijd door verandering in de genen. De genen vormen het erfelijk materiaal in de celkern. Waardoor deze veranderingen ontstaan is niet bekend.
De veranderingen zijn doorgaans niet erfelijk. Er zijn enkele zeer zeldzame, erfelijke ziektes die een verhoogd risico geven op het ontstaan van een hersentumor.

Laaggradig en hooggradig

Er wordt een indeling gemaakt van kwaadaardige hersentumoren van graad I t/m IV (graad 1 wordt eigenlijk alleen bij kinderen gezien):

  • Graad II; er is sprake van een laaggradig glioom. Hierbij is er toename van de groei van gliaweefsel zonder dat er andere kenmerken zijn van kwaadaardigheid. Deze tumor groeit langzaam gedurende vele jaren.
  • Graad III; er is sprake van een hooggradig glioom. Bij deze gradering worden kenmerken van kwaadaardigheid gezien, zoals verandering van de celkernen en toename van groei van de bloedvaten. Dit type wordt ook wel anaplastisch glioom genoemd en groeit variërend van maanden tot jaren.
  • Graad IV: ook hier is sprake van een hooggradig glioom. Bij deze gradering is er een duidelijk ontremde groei van cellen te zien. De tumor groeit veelal snel. Deze tumor heet ook wel glioblastoma multiforme of astrocytoom graad 4.

De genoemde graderingen zeggen niet altijd alles over het gedrag van de tumor bij een individuele patiënt. Een tumor met een hogere graad kan soms toch minder snel terugkomen dan verwacht op grond van deze gradering. En een laaggradige tumor kan zich soms ontwikkelen tot een tumor met een hoge gradering.

Moleculaire genetica

De laatste jaren is er veel onderzoek verricht naar verschillen tussen gliomen op basis van bepaalde eiwitten die al dan niet aanwezig zijn in het tumorweefsel of naar kenmerken van het DNA in het tumorweefsel. Hierdoor is de indeling niet alleen meer gebaseerd op gradering, maar ook op deze genoemde kenmerken. 

Zo wordt er bij gliomen standaard gekeken naar de IDH-mutatie (isocitraat dehydrogenase), deletie van combinatie 1p/19q en de MGMT-methylatiestatus. Het voert te ver om dit uitgebreid in dit PID uit te leggen, maar u kunt uw behandeld arts hiernaar vragen. Deze gegevens worden onder andere gebruikt om de diagnose en prognose te bepalen. Tevens kan dit ook bepalen of een bepaald type glioom gevoelig is voor specifieke chemotherapie. Deze bepalingen worden veelal in academische ziekenhuizen verricht en het kan daarom een aantal weken duren voordat ze bekend zijn.

Op www.oncoline.nl kunt u hier meer informatie over vinden.

Behandeling

De uitslag van het onderzoek door de patholoog wordt besproken in het multidisciplinaire overleg. Ook worden de MRI-scans besproken. Gezamenlijk wordt door de specialisten het vervolgbeleid (behandeling en/of controle) bepaald. Eén van de specialisten of de regieverpleegkundige zal u op de hoogte stellen van hetgeen wat is besproken. Afhankelijk van het te volgen beleid worden afspraken gemaakt bij de betrokken specialisten.

Controle

De neuroloog bespreekt met u hoe vaak er controles worden gedaan tijdens en na afronden van de behandeling(en). Voorafgaand aan de controles vindt meestal een MRI-scan van de hersenen plaats.

Contrastvloeistof 

Om het resultaat van de behandeling(en) te beoordelen kijken we bij hooggradige tumoren (graad 3 en 4) met name naar het gebied van de aankleuring op de MRI. Hierbij is het noodzakelijk dat er contrast via een bloedvat (meestal in de arm) wordt toegediend en dat we de scan afbeelden zowel met als zonder contrast. Aankleuring duidt op lekkage van een bloedvat. Het contrast dat is toegediend, kan uit de bloedvaten naar buiten lekken. Aankleuring is niet hetzelfde als de aanwezigheid van een tumor, maar het wijst op snelle celdeling: de mate van activiteit van de tumorcellen.

Het is belangrijk om te weten dat aankleuring verschillende oorzaken kan hebben. Naast tumoractiviteit zijn andere oorzaken mogelijk, zoals een infarct (bloedstolsel), een ontstekingsreactie en necrose (afgestorven weefsel).

Bij laaggradige tumoren is er meestal geen aankleuring. Dan gebruiken we de afmeting van het afwijkende gebied op de MRI-scan zonder aankleuring en kunnen we twee-dimensionaal de afmeting vergelijken met eerdere scans.

Beschrijving MRI

Doordat de behandeling van hersentumoren de laatste jaren intensiever is geworden en we ook steeds meer scans maken, is er een nieuw begrip geïntroduceerd bij het beschrijven van de MRI-scans. Dit is het begrip pseudoprogressie. Hiermee bedoelen we dat het net lijkt alsof de tumor gegroeid is, maar in feite is dat een drogbeeld. De veranderingen die we zien worden niet veroorzaakt door tumorgroei, maar door een soort ontstekingsreactie ten gevolge van de intensieve behandeling. Deze afwijkingen kunnen later ook weer verdwijnen. Heel vaak heeft de patiënt hier geen klachten van. Wanneer dit wel het geval is kan het nodig zijn om tijdelijk het medicijn dexamethason voor te schrijven.

De kans op pseudoprogressie is het grootst tot drie maanden nadat een gelijktijdige behandeling met bestraling en chemotherapie is afgerond, maar kan ook daarna nog voorkomen. Deze gelijktijdige behandeling kan plaatsvinden bij patiënten met een glioblastoom (glioom graad 4). Bij ongeveer 20% van de patiënten die deze gelijktijdige behandeling krijgen komt dit voor. Dit is de reden dat we na het beëindigen van radiotherapie niet te snel een scan willen maken.

Om toch te proberen, in voorkomende gevallen, een onderscheid te maken tussen pseudoprogressie en echte progressie (tumorgroei), maken we bijna altijd aanvullende MRI-beelden (perfusie genoemd), maar dat onderzoek is niet 100 procent betrouwbaar.

Een vergelijkbaar beeld met pseudoprogressie is de term radionecrose. Dat zien we vooral als de patiënt (stereotactische) radiotherapie heeft gehad. Tot slot kunnen er ook na epileptische aanvallen veranderingen op de MRI-scan zichtbaar zijn, die later weer verdwijnen.


1 maart 2017 6044 Nee Ja

Stuur door

Door onderstaande invulvelden in te vullen, stuurt u deze informatie gemakkelijk door.
Aan emailadres*
   
Uw naam Uw emailadres*
   
Bericht