ISALA

Weergave

Om u de beste leesbaarheid te bieden, kunt u hier het lettertype en de achtergrondkleur naar wens aanpassen.

Lettertype


Achtergrond

Longoperaties: Kijkoperatie met camera (VATS)

Video-assisted Thoracoscopic Surgery (VATS)

Een video-assisted thorascopie (VATS) is een kijkoperatie waarbij met een thoracoscoop in de borstholte wordt gekeken.

Wat is een VATS?

De thoracoscoop bestaat uit een rechte buis waarop een kleine videocamera en een lichtbron zijn gemonteerd. De thoracoscoop wordt verbonden met een tv-monitor zodat de thoraxchirurg zijn handelingen op een tv-scherm ziet en controleert. Deze thoracoscoop wordt tussen uw ribben door in de borstholte gebracht, zodat de buitenkant van de long kan worden bekeken. Bij een thoracoscopische ingreep worden speciale chirurgische instrumenten gebruikt om in de borstholte te kunnen opereren. Hiervoor worden ongeveer drie à vier incisies (sneden) gemaakt van zo’n 1,5 tot vijf centimeter.

De ingreep vindt plaats onder algehele narcose en duurt ongeveer één tot drie uur. U wordt ongeveer vier dagen opgenomen.

Afbeelding 1 Kijkoperatie met camera
 

Waarom een VATS?

Een VATS kan om verschillende redenen verricht worden. De longarts bespreekt met u waarom deze operatie noodzakelijk is. Redenen kunnen zijn:

  • Diagnostische operaties en ’open’ longbiopsie
    Bij een aantal longafwijkingen kan het nodig zijn om weefselmonsters voor microscopisch onderzoek af te nemen. Weefselmonsters kunnen zijn: longweefsel, lymfklierweefsel en longvliesweefsel. Ook kan zo worden bekeken of een longoperatie mogelijk is.
  • Spontane pneumothorax (klaplong)
    Een operatieve behandeling hiervoor wordt gedaan wanneer een klaplong zich opnieuw voordoet of wanneer de luchtlekkage die de klaplong in stand houdt niet wil stoppen. De thoracoscopische behandeling komt in de plaats van het ‘plakken’ of ‘talken’ wat door de longarts als behandeling van een klaplong kan worden gedaan. De operatieve behandeling heeft het voordeel dat de kans op herhaling van het probleem (recidief pneumothorax) kleiner is.
  • Verwijderen van een tumor of gezwel
    Tijdens de operatie wordt het gezwel (goed- of kwaadaardig) met een deel van het omliggende weefsel verwijderd. Dit kan een wigexcisie (een wigvormig deel wordt weggenomen) zijn, maar ook een lobectomie waarbij een longkwab wordt verwijderd. Wanneer er sprake is van een kwaadaardige tumor, worden er altijd een aantal nabijgelegen lymfeklieren verwijderd.
 
Afbeelding 2 Lobectomie (één longkwab is verwijderd)

Soms is het niet mogelijk om de ingreep door middel van een VATS te verrichten. Tijdens de operatie kan bijvoorbeeld blijken dat de situatie ingewikkelder of gecompliceerder is dan verwacht. De thoraxchirurg maakt dan een grotere snede (thoracotomie). Of dit voor u van toepassing is, bespreekt de thoraxchirurg met u voor de operatie.

De uitslag

Als er tijdens de operatie weefsel wordt weggenomen, onderzoekt een patholoog (een patholoog is gespecialiseerd in het onderzoeken van weefsel) dit microscopisch. Het duurt ongeveer een week voordat de uitslag van dit onderzoek bekend is. Zodra de uitslag bekend is, bespreekt de longarts of zaalarts de uitslag met u en uw naasten.

Voor de opname

We adviseren u voor de operatie vast na te denken over de vraag of u na ontslag uit het ziekenhuis hulp nodig zult hebben. De eerste weken na ontslag mag u niet zwaar tillen of zwaar huishoudelijk werk verrichten. Dit kan betekenen dat u hulp nodig heeft van anderen. De verpleegkundige kan, als dat nodig is, deze hulp tijdens de opname voor u regelen.

Na de opname bent u de eerste twee weken, tot aan de controleafspraak bij de longarts, niet in staat om te werken. Tijdens deze controleafspraak bespreekt de longarts met u wanneer u uw werkzaamheden kunt hervatten.

Bij opname op de verpleegafdeling vraagt de verpleegkundige u naar één of twee contactpersonen (bijvoorbeeld een familielid of kennis). Het is raadzaam de telefoonnummers van deze contactpersonen mee te nemen naar het ziekenhuis. Neemt u bij de opname ook de medicatie mee die u gebruikt.

Vanaf zeven dagen voorafgaand aan de operatie mag u de oksels en borstkas niet meer zelf ontharen met tondeuse, scheermesje of ontharingscrème, omdat u daarmee het risico vergroot op infecties na de operatie.

Wij adviseren u dringend sieraden, geld, pinpas en andere waardevolle zaken thuis te laten. Nagellak moet voor de operatie verwijderd worden.

Voorafgaand aan de operatie

Uw behandelend longarts heeft u geïnformeerd over de reden waarom deze operatie nodig is. Voor de operatie brengt u een bezoek aan de anesthesist. Hij informeert u over de narcose en de pijnbestrijding na de operatie. Afhankelijk van de soort ingreep krijgt u voor de pijnstilling al dan niet een epiduraal katheter. Hierbij wordt een slangetje in de rug gebracht. Via een pompje, dat op dit slangetje aangesloten wordt, kunnen medicijnen toegediend worden. De zenuwwortels van het wondgebied worden daarbij verdoofd.
De anesthesist informeert u ook over welke medicijnen eventueel gestopt moeten worden voor de operatie en welke medicijnen u mag gebruiken op de dag van de operatie.

De verpleegkundige informeert u over de voorbereiding en de nazorg van de operatie en het verblijf op de afdeling Longgeneeskunde. Zij geeft u deze informatie schriftelijk mee. Tijdens de poliklinische afspraak bij de thoraxchirurg krijgt u uitleg over de operatie. De thoraxchirurg vertelt wat er tijdens de operatie wordt gedaan, de duur van de operatie en de risico’s en mogelijke complicaties.

Medicijnen

Vóór de operatie kan het nodig zijn dat u tijdelijk het gebruik van bepaalde medicijnen wijzigt. Meestal betreft het bloedverdunnende middelen of medicijnen in verband met suikerziekte. De arts of anesthesist heeft dit met u besproken. Als u inhalatiemedicijnen gebruikt, mag u dat doen zoals u dat gewend bent.

Opnamedag

  • Op de dag voor de operatie meldt u zich bij de centrale balie. U wordt door een gastvrouw of gastheer naar de verpleegafdeling begeleid. Het kan zijn dat u eerst naar het laboratorium gaat om bloed te prikken en naar de afdeling Radiologie om een röntgenfoto te laten maken.
  • Op de verpleegafdeling heeft u een gesprek met de verpleegkundige die u informeert over de opname en het tijdstip waarop de operatie is gepland. Houdt u er rekening mee dat dit tijdstip kan veranderen. U krijgt zo nodig van de verpleegkundige middelen om te laxeren.
  • U begint met een neuszalf om infecties tegen te gaan. Dit moet u gedurende vijf dagen twee keer per dag gebruiken. Ook krijgt u bij opname een antistollingsinjectie om trombose te voorkomen.
  • De thoraxchirurg bezoekt u om eventuele vragen te beantwoorden. De thoraxchirurg die u bezoekt, doet ook de operatie.

De dag van de operatie

  • Voor de operatie moet u nuchter zijn. De verpleegkundige informeert u tot welk tijdstip u op de operatiedag nog mag eten en drinken.
  • Voor de operatie krijgt u een operatiehemd en een papieren slip aan. Hierna kunt u nog naar het toilet gaan. Een half uur vóór de ingreep krijgt u de zogenaamde prémedicatie. Dit zijn medicijnen ter voorbereiding op de narcose. U kunt hier slaperig van worden en dus beter ontspannen. Als u dit heeft ingenomen mag u niet meer alleen uit bed.
  • Verwijder, voordat u naar de operatieafdeling gebracht wordt, sieraden, piercings, make-up, bril, gehoorapparaten en/of protheses (gebit).
  • Wanneer u verwacht wordt op de operatieafdeling, wordt u met bed naar de voorbereidingsruimte bij de operatiekamers gebracht. Afhankelijk van de ingreep houdt de thoraxchirurg uw contactpersoon tijdens de operatie op de hoogte over het verloop ervan. Deze informatie wordt verstrekt via een medewerker van de afdeling Familiebegeleiding Intensive care.

De operatie

Voor de operatie wordt er ter voorbereiding een infuus ingebracht. De anesthesist kan met u afgesproken hebben dat u een epiduraal katheter krijgt voor pijnbestrijding na de operatie. Een epiduraal katheter is een klein slangetje in de rug. Als dit met u afgesproken is, wordt deze geplaatst voor u onder narcose gaat. Wanneer u geen epiduraal katheter krijgt voor de pijnstilling kan adequate pijnstilling op een andere wijze gewaarborgd worden.

De anesthesist brengt u onder narcose en bewaakt u tijdens de operatie.
De thoraxchirurg maakt drie incisies (sneetjes) in de huid in de linker- of rechterzij ter hoogte van de borstwand. Via deze sneetjes heeft hij toegang tot de borstholte. De borstholte bestaat uit twee vliezen. Het borstvlies bekleedt de borstwand; het longvlies bekleedt de longen. Door het openen van de borstkas ‘valt’ de long samen. De chirurg kan het longweefsel onderzoeken en de ingreep verder uitvoeren.

Afhankelijk van de reden van de operatie kan de lengte van de snede variëren. Via één van de sneetjes brengt de chirurg een drain in, die aan de huid bevestigd wordt met een hechting. Een drain is een afvoerslang van enkele millimeters doorsnee, die vocht en lucht uit de borstholte afvoert. Na de ingreep sluit de chirurg ook de overige wondjes met hechtingen.

Nazorg

  • Na de ingreep verblijft u enkele uren in de uitslaapkamer (recovery) totdat u weer wakker bent. U bent, inclusief voorbereiding, operatie en het verblijf in de uitslaapkamer ongeveer vijf uur van de verpleegafdeling.
  • U zult een aantal slangen hebben, zoals een drain, infuus en een zuurstofslangetje. Als u een epiduraal katheter heeft, heeft u mogelijk ook een blaaskatheter gekregen.
  • Als u goed wakker bent, wordt u weer naar de verpleegafdeling gebracht. De verpleegkundige controleert regelmatig uw bloeddruk, pols, temperatuur, de drain en de operatiewondjes. De zaalarts komt alle werkdagen bij u langs en beslist over het medisch beleid.
  • Als gevolg van de narcose kunt u mogelijk kortdurend last hebben van keelpijn, heesheid en/of spierpijn. Deze klachten verdwijnen vanzelf weer. U heeft nog enige tijd een infuus. Dit wordt meestal spoedig gestopt. Na de operatie krijgt u gedurende 48 uur antibiotica via het infuus toegediend.
  • De drain, die de chirurg bij u heeft ingebracht, is met een verbindingsslang op een opvangsysteem aangesloten en dient om vocht en lucht uit de borstholte af te voeren. In een enkel geval kan uw bewegingsvrijheid hierdoor beperkt zijn. De verpleegkundige geeft u hierover uitleg.

De dag van de operatie helpt de verpleegkundige u uit bed. De fysiotherapeut komt bij u langs om u te begeleiden bij het herstel. Door de houding tijdens de operatie en de drain kunt u geneigd zijn de schouder aan de geopereerde kant minder te gebruiken. Het is echter belangrijk om de schouder te blijven bewegen. De fysiotherapeut begeleidt u hierbij. Ook kan hij of zij u helpen met hoesttechnieken en ademhalingsoefeningen. Voor uw ontslag uit het ziekenhuis geeft de fysiotherapeut u tips en adviezen voor een goed herstel thuis.

De drain wordt zo snel mogelijk verwijderd, als het vocht is afgevoerd en de long weer optimaal ontplooid is. De hechting in het wondje waarin de drain zat, dient een week na het verwijderen van de drain verwijderd worden. Dit kan ook bij de huisarts gebeuren. Als uw ontslag in zicht is, bespreekt de verpleegkundige met u of er voldoende hulp thuis aanwezig is. Zo nodig kan zij de thuiszorg inschakelen.

Pijnbestrijding

Als gevolg van de operatie en de drain heeft u mogelijk pijn. Een goede pijnstilling is van belang om complicaties te voorkomen. Als u pijn heeft, ademt u minder goed door en probeert u ook hoesten te voorkomen. Hierdoor kan er slijm achterblijven in de longen wat een longontsteking tot gevolg kan hebben. Het is dus belangrijk dat u op vaste tijdstippen uw pijnmedicatie inneemt en op tijd bij de verpleegkundige aangeeft als u pijn heeft. Zij zal u regelmatig vragen de pijn een cijfer te geven (0 = helemaal geen pijn, 10 = ergst denkbare pijn). Zo nodig kan zij u extra pijnmedicatie geven.
Als u een epiduraal katheter heeft gekregen, wordt deze vaak binnen twee dagen verwijderd. De verpleegkundige verwijdert dan ’s avonds ook de blaaskatheter als u deze heeft gekregen.

Antistolling

Wanneer u niet voor een oncologische resectie bent gegaan, dan krijgt u gedurende enkele dagen een antistollingsinjectie van de verpleegkundige.

Wanneer u voor een oncologische resectie bent gegaan en u gebruikt geen orale antistolling, gaat u 4 weken na de operatie door met antistollingsinjecties. De verpleegkundige geeft u instructies voor het zelf leren spuiten van deze injecties. Wanneer u of de familie dit niet kan of wil, dan schakelt de verpleegkundige hiervoor thuiszorg in.

Gevolgen van de operatie

De meest voorkomende gevolgen van een VATS zijn pijn en een beurs gevoel aan de geopereerde zijde. Ook kunt u last hebben van de drain. Er kan gevoelloosheid van de huid optreden rond de wondjes, wat enige tijd kan aanhouden. Dit wordt veroorzaakt doordat tijdens de operatie een zenuw geraakt is, hetgeen niet te voorkomen is.

Complicaties

Geen enkele operatie is zonder risico’s. Zo is er ook bij operaties aan de long de kans op complicaties aanwezig, zoals nabloeding, longontsteking, wondinfectie en trombose. Daarnaast zijn er nog specifieke complicaties mogelijk. Zo bestaat er na een thoracotomie de eerste dagen bijna altijd wel enige luchtlekkage die via de drains kan worden afgevoerd. Een enkele keer kan deze luchtlekkage meer dan een week aanhouden. Dat is geen ernstige maar wel een vervelende complicatie. Ook komt het af en toe voor dat er lucht onder de huid lekt, waardoor er een zwelling kan optreden van de huid in het gebied van de borstkas, hals en gelaat. Deze lucht wordt langzaam door het lichaam opgenomen, waardoor de zwelling weer verdwijnt. Na de operatie kan er tijdelijk een verandering van het hartritme optreden. Hier kunnen medicijnen voor gegeven worden. De longarts en de thoraxchirurg bespreken mogelijke complicaties voor de ingreep met u.

Herstel thuis

Hoe snel u thuis herstelt, is onder andere afhankelijk van de uitgevoerde ingreep en uw conditie voor de operatie. Ook speelt u zelf een belangrijke rol bij het verdere herstel; dagelijkse inspanning is van groot belang. Als u in het ziekenhuis al redelijk goed in beweging was, is het aan te bevelen de eerste dagen na thuiskomst in eigen tempo en naar eigen kunnen te bewegen. Til geen zware dingen. Luister naar uw lichaam, u voelt zelf het beste wat u kunt. Om uw herstel te versnellen, is het meestal nodig dat u elke dag uw activiteit iets vergroot. De eerste weken na de operatie mag u nog niet sporten. Ook kunt u nog niet werken. Tijdens het eerste polibezoek na de operatie bij de longarts komt werkhervatting en sporten aan de orde. Vliegen en duiken wordt u de eerste zes weken na de operatie afgeraden.

Wat te doen bij klachten?

Krijgt u na thuiskomst last van de volgende klachten, neem dan contact op met het ziekenhuis:

  • Temperatuursverhoging. Bij een temperatuur van 38,5 graden Celcius of hoger, gemeten via de anus.
  • Wondproblemen. Als de wondjes rood, pijnlijk en dik worden of als er vocht uitkomt.
  • Pijn. Bij verergering of verandering van de wondpijn.
  • Kortademigheid. Bij vertrek uit het ziekenhuis kan het zijn dat u enige kortademigheid voelt, soms al na een beetje inspanning. Meestal wordt het vrij snel minder. Als de kortademigheid toeneemt, moet u contact opnemen.
  • Hoesten. Bij toenemende hoest en het opgeven van geel of groen slijm, zeker wanneer dit samen gaat met koorts, moet u hulp zoeken.

Bij uw ontslag krijgt u de telefoonnummers waarmee u het ziekenhuis kunt bereiken bij deze klachten.
Vanaf twee weken na ontslag uit het ziekenhuis kunt u bij problemen contact opnemen met uw huisarts.

Tips voor gesprekken met zorgverleners

Als u zich wilt voorbereiden op de gesprekken met zorgverleners, volgen hier een paar algemene tips.
Neem een vertrouwd persoon mee naar het gesprek. Twee horen meer dan één. Schrijf vragen die u heeft vooraf op en neem ze mee naar het gesprek. Maak aantekeningen van de antwoorden.
Geef het aan als u de gegeven informatie niet begrijpt.

Als u na afloop van het gesprek nog vragen heeft, maak dan een nieuwe afspraak. Tijdens de opname kunt u uw vragen op elk moment stellen aan de verpleegkundige. Doe dat gerust.

De verschillende zorgverleners bespreken verschillende onderwerpen met u.

De longarts bespreekt met u:

  • eventueel nog te verrichten onderzoeken
  • de operatie: wat wordt er gedaan
  • risico’s en complicaties
  • het eventuele opnameverloop en de opnameduur
  • algemene duur operatie
  • de herstelperiode in het ziekenhuis
  • zo mogelijk een voorlopige operatiedatum.

De anesthesist bespreekt met u:

  • de narcose en de bijwerkingen hiervan
  • mogelijke risico’s en complicaties van de narcose
  • de pijnbestrijding.

De thoraxchirurg bespreekt met u:

  • de operatie: wat wordt er gedaan
  • risico’s en complicaties
  • duur van de operatie.

De verpleegkundige bespreekt met u:

  • uw verblijf op de verpleegafdeling
  • de voorbereiding op de operatie
  • het verloop van de operatiedag
  • het verwachte tijdstip van de operatie en dat dit kan veranderen
  • de pijnbestrijding
  • het herstel en de revalidatie na de operatie
  • de ontslagprocedure.

De zaalarts bespreekt met u:

  • uw herstel na de operatie
  • het beleid rondom drain, infuus, pijnbestrijding en andere medicatie
  • de uitslag van de operatie, indien u als de uitslag bekend is nog opgenomen bent
  • het ontslag.

De fysiotherapeut bespreekt met u:

  • ademhalingsoefeningen en hoesttechnieken
  • bewegen van uw schouder aan de geopereerde zijde
  • het belang van mobiliseren
  • tips en adviezen voor een goed herstel thuis.

De medewerker Familiebegeleiding Intensive care bespreekt met u:

  • tijdstip waarop uw contactpersoon informatie krijgt over het verloop van de operatie
  • logeermogelijkheid voor uw contactpersoon nabij het ziekenhuis.

Contact

Heeft u nog vragen, dan kunt u die stellen tijdens het spreekuur van uw arts. Ook kunt u contact opnemen met de polikliniek Longgeneeskunde, via telefoonnummer (038) 424 24 56. De verpleegafdeling is bereikbaar via telefoonnummer (038) 424 25 40.


9 november 2016 6196 Nee Nee

Stuur door

Door onderstaande invulvelden in te vullen, stuurt u deze informatie gemakkelijk door.
Aan emailadres*
   
Uw naam Uw emailadres*
   
Bericht