ISALA

Weergave

Om u de beste leesbaarheid te bieden, kunt u hier het lettertype en de achtergrondkleur naar wens aanpassen.

Lettertype


Achtergrond

Eierstokkanker (PID): H3 Behandelingen bij eierstokkanker

Patiënten Informatie Dossier

​De meest toegepaste behandelingen bij eierstokkanker zijn:

  • Buikoperatie; diagnostisch (vóór de behandeling om de diagnose te stellen) en/of na drie kuren chemotherapie.
  • Behandeling met celdodende of celdelingremmende medicijnen (chemotherapie).

Bij de meeste vrouwen met eierstokkanker zal een operatie plaatsvinden in combinatie met chemotherapie. Bestraling (radiotherapie) wordt bij eierstokkanker zelden toegepast.

Buikoperatie

Meestal verwijdert de gynaecoloog de baarmoeder, de beide eierstokken en het grote inwendige vetschort (omentum majus). Wanneer een vrouw met eierstokkanker een kinderwens heeft, zal de gynaecoloog eerst kijken naar de vorm van eierstokkanker en de uitgebreidheid van de ziekte voordat hij verder opereert. De baarmoeder en de andere eierstok kunnen alleen behouden blijven als er sprake is van een minder kwaadaardige vorm van eierstokkanker én als de ziekte nog in een vroeg stadium is.

Als de ziekte zich door de hele buikholte heeft uitgebreid, neemt de gynaecoloog zo veel mogelijk tumorweefsel weg. Dit wordt ‘debulking’ genoemd. Hoe minder tumorweefsel achterblijft, hoe groter de kans op succes bij een vervolgbehandeling met medicijnen (chemotherapie).

De specialist kan vanwege de uitgebreidheid van de ziekte ook tot de conclusie komen dat het niet verantwoord is om verder te opereren. Het behandeladvies is dan meestal chemotherapie. Het doel daarvan is de tumor zo veel mogelijk te verkleinen. Als dat doel wordt bereikt, kan meestal alsnog een operatie plaatsvinden. Het opnieuw operatief verwijderen van tumorweefsel na chemotherapie wordt ‘interval debulking’ genoemd.

Chemotherapie

Chemotherapie is de behandeling van kanker met celdodende of celdelingremmende medicijnen: cytostatica. Er zijn verschillende soorten cytostatica, elk met een eigen werking. De medicijnen worden meestal via een infuus toegediend. Via het bloed verspreiden ze zich door uw lichaam en kunnen ze op vrijwel alle plaatsen kankercellen bereiken. Vaak worden verschillende cytostatica gecombineerd. Welke combinatie voor u het meest geschikt is, hangt af van de soort kankercellen, het stadium van de ziekte en uw conditie. De internist-oncoloog zal u hierover adviseren.

Onderaan deze pagina vindt u meer informatie over de behandeling van chemotherapie.

Doel van de behandeling

Wanneer een behandeling tot doel heeft genezing te bereiken, dan wordt dat een curatieve behandeling genoemd. Onderdeel daarvan kan een aanvullende (adjuvante) behandeling zijn. Een adjuvante behandeling kan bijvoorbeeld bestaan uit chemotherapie na een operatie, waarbij eventuele niet-waarneembare uitzaaiingen worden bestreden en daarmee de kans op terugkeer van de ziekte wordt verminderd. Ook kan ervoor worden gekozen om chemotherapie vóór een operatie te geven om de tumor te verkleinen (neo-adjuvante behandeling).

Als de ziekte niet (meer) curatief kan worden behandeld, is een palliatieve behandeling mogelijk. Zo’n behandeling is gericht op het remmen van de ziekte en/of vermindering of het voorkomen van klachten.

Bij het vaststellen van het behandelplan zijn verschillende specialisten betrokken. Zij maken gebruik van gezamenlijk vastgestelde landelijke richtlijnen. De artsen stellen u een bepaalde behandeling voor op grond van:

  • het stadium van de ziekte
  • de vorm van eierstokkanker en de mate van kwaadaardigheid
  • uw algemene lichamelijke conditie
  • de hoeveelheid tumorweefsel dat wel of niet bij de operatie verwijderd is.

Afzien van behandeling

Het kan gebeuren dat bij u of bij uw arts de indruk bestaat dat de belasting of de mogelijke bijwerkingen of gevolgen van een behandeling niet (meer) opwegen tegen de te verwachten resultaten. Hierbij zal het doel van de behandeling vaak een rol spelen. Het maakt natuurlijk verschil of de behandeling curatief of palliatief bedoeld is, of dat er sprake is van een adjuvante (als onderdeel van een curatieve) behandeling.

Bij een curatieve behandeling accepteert u misschien meer bijwerkingen of gevolgen. Bij een adjuvante behandeling speelt de afweging of de belasting van een behandeling in verhouding staat tot het mogelijke risico van terugkeer van de ziekte.

Als een palliatieve behandeling wordt geadviseerd, zult u de kwaliteit van uw leven bij uw beslissing willen betrekken.

Als u twijfelt aan de zin van (verdere) behandeling, bespreek dit dan in alle openheid met uw gynaecoloog of huisarts. U heeft het recht om af te zien van (verdere) behandeling. Uw arts zal u de noodzakelijke medische zorg en begeleiding blijven geven om de hinderlijke gevolgen van uw ziekte zo veel mogelijk te bestrijden.

Voorbereidingen op de opname

Via het planbureau van de polikliniek Gynaecologie wordt uw opnamedatum vastgelegd. De opnameduur zal variëren van een dag tot een week. Dit is afhankelijk van de ingreep en uw herstel en kan dus per persoon verschillen.

Gesprek met de regieverpleegkundige

Nadat u de diagnose heeft gehoord, wordt voor u een afspraak gemaakt bij de regieverpleegkundige van de afdeling Gynaecologie. Deze verpleegkundige is gespecialiseerd in de zorg voor mensen met gynaecologische kanker. Op de polikliniek geeft zij uitleg over uw behandeling en de gevolgen hiervan op uw dagelijks leven. Zij kan de informatie die gegeven is door de gynaecoloog verduidelijken. Ook kan zij u de eerste opvang bieden bij de verwerking van uw ziekte en de bijbehorende emoties. Daarnaast kunt u vragen en onzekerheden die u of uw naasten bezighouden, met haar bespreken.

Bovendien wordt tijdens deze afspraak het zogenoemde opnamegesprek gehouden. Tijdens dit gesprek neemt de verpleegkundige een aantal punten met u door, zoals uw algehele gezondheid, ziektebeleving, voedingspatroon en uw gezinssituatie. Uw voedingstoestand wordt geïnventariseerd en zo nodig wordt de diëtiste in consult gevraagd voor het eventueel starten met het gebruik van een energie- en eiwitverrijkte drank (nutridrink).

Meer informatie over uw opname en verblijf in het ziekenhuis kunt u vinden in ‘Opname in Isala’. Beschikt u niet over internet, dan print de oncologieverpleegkundige deze informatie graag voor u.

Preoperatief onderzoek

Ook krijgt u een afspraak met de anesthesioloog voor een preoperatieve screening. Tijdens dit gesprek krijgt u informatie over de gang van zaken rondom een operatie, onder andere over de narcose en verschillende manieren van pijnbestrijding. Ook zal de anesthesioloog u onderzoeken. In het voorlichtingsmateriaal ‘Anesthesie’ kunt u meer informatie vinden over de verdoving. Beschikt u niet over internet, dan printen wij deze informatie graag voor u.

Naar uw afspraak met de anesthesioloog neemt u het volgende mee:

  • een geldig identiteitsbewijs (ID, paspoort of rijbewijs)
  • de medicijnen die u gebruikt (in de originele verpakking).

Voorbereiding thuis

Wij raden u aan om het voorlichtingsmateriaal ‘Opname in Isala’ goed door te lezen. Daar vindt u ook het kopje ‘Wat neemt u mee naar het ziekenhuis?’ Wij adviseren u dringend sieraden, geld en andere waardevolle zaken thuis te laten. Dit geldt ook voor uw trouwring, die tijdens de operatie af moet. Er kan altijd iets zoek raken. Hiervoor kan het ziekenhuis niet aansprakelijk worden gesteld.

Nuchter?

U mag de dag vóór de operatie gewoon eten en drinken. Het is belangrijk dat u deze dag minstens anderhalve liter vocht drinkt, uiteraard geen alcoholische dranken.

Vanaf 24.00 uur op de avond vóór de operatie kunt u niet meer eten. Wel mag u tot twee uur vóór de ingreep nog heldere dranken drinken, waaronder thee en ranja.

Vroeg in de ochtend van de operatie (u bent dan al in het ziekenhuis) krijgt u enkele glazen drinkvoeding. Dit energieverrijkende drankje heet Fantomalt® en bevat vooral voedende suikers. Als uw operatie ’s middags is gepland, krijgt u ’s morgens nog een licht ontbijt.

Aandachtspuntenlijst

Gesprekken vóór opname

Gesprek met de gynaecoloog
U krijgt voorlichting over:

  • de behandelingsmogelijkheden en het vervolgtraject
  • het opnameverloop en de opnameduur.

Gesprek met de anesthesioloog
U krijgt voorlichting over:

  • de anesthesie en de bijwerkingen hiervan
  • mogelijke risico’s en complicaties van de anesthesie
  • pijnbestrijding na de operatie.

Gesprek met de regieverpleegkundige
U krijgt voorlichting over:

  • het verwachte tijdstip van de operatie
  • uw verblijf op de verpleegafdeling
  • de globale gang van zaken tijdens de opname
  • uw voedingstoestand (evt. schakelt ze een diëtiste in)
  • de voorbereiding op de operatie
  • de dag van de operatie (hoe ziet deze eruit)
  • het herstel na de operatie
  • het doel en het gebruik van het Patiënten Informatie Dossier (PID)
  • ondersteuning door regieverpleegkundige oncologie of verpleegkundig specialist gynaecologie.

Ook komt aan de orde:

  • uw vragen
  • de behandeling en de gevolgen hiervan
  • uw thuissituatie en eventuele noodzaak voor thuiszorg.

Afhankelijk van uw behandeling is de volgende informatie voor u interessant:

  • Openbuikoperatie
  • Chemotherapie

Opnameperiode

De laatste jaren is er veel onderzoek gedaan naar de omstandigheden (factoren) die van invloed zijn op het herstel na een operatie. Zo blijkt het herstel na de operatie versneld te kunnen worden door:

  • Een optimale pijnbestrijding, waarbij niet alleen de pijn effectief wordt bestreden, maar waarbij ook de nadelige effecten van de pijnbestrijding (op maag- en darmwerking) worden geminimaliseerd.
  • Een zo kort mogelijke periode van bedrust, zodat verlies van spierkracht wordt beperkt.
  • Een zo kort mogelijke periode van voedselonthouding, zodat gewichtsverlies (en daarmee verlies van spiermassa en spierkracht) wordt tegengegaan.

Dag van opname

Op de dag van opname meldt u zich op de afgesproken tijd bij de centrale balie in de centrale hal van Isala. Een gastheer of – vrouw brengt u vervolgens naar de verpleegafdeling. Soms wordt u gevraagd eerst naar het laboratorium te gaan voor bloedafname.

Gang van zaken op verpleegafdeling

U wordt opgenomen op een gynaecologische afdeling. De afdelingsverpleegkundige vertelt u op welke kamer u komt te liggen en hoe laat ongeveer de operatie zal plaatsvinden. Zij zal u ook verschillende vragen stellen. Als u vragen of wensen heeft of als er andere zaken zijn die u graag wilt bespreken, kunt u dit dan doen. Zij geeft u vervolgens een rondleiding over de afdeling en laat u uw kamer zien. Aansluitend zal ze uw bloeddruk, pols en temperatuur meten.

De voedingsassistente bespreekt uw dieetwensen en eventuele dieetadviezen. Als u een gesprek wilt met de gynaecoloog, kunt u dit aan de verpleegkundige doorgeven. Zij zal dit, indien mogelijk, regelen.

Contactpersoon

Tijdens het gesprek met de afdelingsverpleegkundige zal zij u vragen de naam en het telefoonnummer van uw contactpersoon door te geven. De contactpersoon (bijvoorbeeld een familielid of kennis) kan namens uw direct betrokkenen informeren hoe het met u gaat en bijvoorbeeld ook het bezoek coördineren. Hij is tevens het aanspreekpunt voor de zorgverleners. Ter bescherming van uw privacy wordt telefonische informatie over u in principe alleen aan uw contactpersoon verstrekt.

Operatie

Voor de operatie gaat u eerst douchen. U mag geen deodorant of make-up gebruiken. Ook verwijdert u nagellak en doet u uw sieraden af. Ongeveer een halfuur vóór de operatie krijgt u speciale operatiekleding aan. Een eventuele gebitsprothese doet u uit. Een hoorapparaat hoeft niet verwijderd te worden.

Als u aan de beurt bent, brengt de verpleegkundige u in uw bed naar de voorbereidingsruimte van de operatiekamer. Hier krijgt u een infuusnaaldje, waarna u op een operatietafel geholpen wordt en naar de operatiekamer wordt gereden. De anesthesie-assistent sluit u aan op de hartbewaking (monitor). Ook krijgt u een bloeddrukband om de arm. Daarnaast wordt een slangetje (katheter) in uw rug ingebracht: de zogenoemde epiduraal katheter. Via dit slangetje krijgt u tijdens en na de operatie verdovende medicijnen toegediend. Vervolgens worden via het infuus in uw arm verdovingsmiddelen ingespoten. Deze middelen werken zeer snel. U wordt volledig verdoofd en valt tijdelijk in een diepe slaap (narcose).

Na de operatie

De narcose zal zo afgestemd zijn dat u niets merkt van de operatie. De dosering wordt gebalanceerd toegediend, waardoor u binnen een halfuur na het beëindigen van de operatie weer bij bewustzijn bent.

U zult weinig tot geen pijn hebben. De anesthesie werkt niet lang na. De tijd die u op de verkoever (uitslaapkamer) verblijft, is daardoor beperkt tot enkele uren. Vóór de operatie is tussen uw ruggenwervels een slangetje ingebracht (de zogenoemde epiduraal katheter) die het mogelijk maakt om op de plaats van de operatie de pijn optimaal te bestrijden. Door deze plaatselijke verdoving is er veel minder morfine nodig. Bijwerkingen van morfine zoals sufheid en het stilvallen van de darmwerking komen daarom veel minder voor. Vooral het niet-stilvallen van de darmwerking is belangrijk voor een snel herstel; daardoor kunt u vrij snel na de operatie weer eten en drinken.

Tijdens de operatie is ook een slangetje in de blaas (urinekatheter) ingebracht, omdat de blaas door de epiduraal katheter minder goed kan functioneren.

Pijnbestrijding

Na de operatie krijgt u, naast de epidurale pijnbestrijding, ook 4x daags 2 tabletten paracetamol. Het is belangrijk deze pijnstillers in te nemen, ook als u geen pijn heeft, zodat u een zogenoemde spiegel van de paracetamol in uw bloed opgebouwd heeft als de epiduraal katheter verwijderd wordt. Om een goede indruk te krijgen van de kwaliteit van de pijnbestrijding zal u gevraagd worden bij te houden hoeveel pijn u ervaart en deze uit te drukken in een zogenoemde pijnscore.

De epiduraal katheter wordt de tweede dag na de operatie verwijderd. As deze verwijderd is, gaat u wel door met het gebruik van de andere pijnmedicatie – waaronder paracetamol – en met het bijhouden van uw pijnscore. Als u behoefte heeft aan meer pijnstillers, kunt u dit altijd aan de verpleegkundigen kenbaar maken.

Sondes, katheters en drains

Na de operatie heeft u meestal één of twee drain(s) (plastic slangetje dat het wondvocht afvoert) en kan het zijn dat u een maagsonde (maagslang) heeft. Het infuus blijft in totdat u goed kunt drinken en de epiduraal katheter eruit mag. De blaaskatheter wordt, tegelijk met de epiduraal katheter, de tweede dag na de operatie verwijderd.

Misselijkheid en voeding

De anesthesist schrijft middelen voor om misselijkheid en braken tegen te gaan. Toch kan misselijkheid niet altijd voorkomen worden. Vooral de grootte van de operatie en de reactie van uw lichaam op de operatie bepalen of u misselijk wordt. Als u niet misselijk bent, probeer dan af en toe een slokje water te drinken. Als dit goed gaat, mag u langzaam uitbreiden naar vloeibaar eten, gevolgd door licht verteerbaar eten.

Beweging

Na de operatie is het belangrijk dat u weer in beweging komt. Bewegen is niet alleen belangrijk om trombose te voorkomen, maar ook om verlies van spierkracht tegen te gaan. Daarnaast komen de darmen hierdoor eerder op gang. Bovendien kunt u beter ademhalen als u rechtop zit en dat verkleint bijvoorbeeld weer de kans op luchtweginfecties.

Een aantal dagen na de operatie kunt u proberen enkele uren buiten bed door te brengen en een wandeling te maken over de afdeling. Uiteraard is een goede pijnbestrijding van groot belang om goed te kunnen bewegen. Geeft u daarom duidelijk aan wanneer pijn u belemmert om uit bed te komen. Wanneer u niet in staat bent uit bed te komen, probeer dan zo veel mogelijk rechtop in bed te zitten.

Complicaties

Na iedere operatie kunnen er complicaties optreden. Zo is er ook bij een buikoperatie kans op complicaties zoals trombose (bloedstolling), longontsteking, nabloeding en wondinfecties. Wondinfecties zijn ontstekingen van de huid op de plaats van de hechtingen. De symptomen (verschijnselen) zijn roodheid van de huid of het lekken van wondvocht.

Weefselonderzoek

Na de operatie worden het weggenomen weefsel en de lymfklier(en) onderzocht door de patholoog: de medisch specialist die gespecialiseerd is in het onderzoeken van menselijk weefsel. Het onderzoek levert veel informatie op:

  • over de soort kankercellen
  • over de uitbreiding en de grootte van het kwaadaardig gezwel
  • of de kanker volledig is verwijderd en/of de snijvlakken vrij zijn van kankercellen.

Het duurt zeven tot tien dagen voordat de uitslag van de patholoog bekend is. Dit betekent voor u meestal een week van extra spanning en onzekerheid. Zodra de uitslag van het weefselonderzoek (PA-onderzoek) bekend is, wordt deze besproken in een team van specialisten op het gebied van eierstokkanker, onder wie gynaecologen, de consulent-gynaecoloog Universitair Medisch Centrum Groningen, internist-oncologen, patholoog en de regieverpleegkundige Oncologie. Dit wordt de multidisciplinaire gynaecologische oncologiebespreking genoemd. Daaruit volgt dan het advies voor een eventuele vervolgbehandeling.

U krijgt een afspraak voor een polikliniekbezoek na de opname. Tijdens deze afspraak zal de gynaecoloog uitgebreid ingaan op de uitslag van het weefselonderzoek en het advies voor een eventuele vervolgbehandeling.

Weer naar huis

U mag vanaf dag vier of vijf na de operatie naar huis als:

  • u voelt dat u in staat bent om naar huis te gaan
  • u ontlasting heeft gehad
  • u weer normaal eten kunt verdragen
  • u geen of weinig pijn meer heeft.

Uiteraard wordt de definitieve beslissing of u naar huis mag, in overleg met u, genomen door de zaalarts op de afdeling. De verpleegkundige bespreekt met u hoe laat u naar huis kunt.

U krijgt van de verpleegkundige de volgende afspraken en papieren mee:

  • Een poliklinische afspraak bij de gynaecoloog voor:
    • de uitslag van het weefselonderzoek en eventueel aanvullende onderzoeken
    • het bespreken van eventueel verder onderzoek en/of behandeling
    • wondcontrole en beoordelen of hechtingen mogen worden verwijderd

Afhankelijk van de diagnose en/of nabehandeling:

  • Een poliklinische afspraak bij de gynaecoloog.
  • Een aansluitende afspraak bij de regieverpleegkundige oncologie.
  • Een brief voor uw huisarts.

Extra zorg?

De eerste zes weken mag u geen zwaar huishoudelijk werk verrichten. De verpleegkundige neemt met u door wat de leefregels voor thuis zijn. Een aantal dagen na ontslag heeft u een afspraak bij de regieverpleegkundige Oncologie in verband met de nabehandeling (chemotherapie) via het Oncologisch centrum. Ook kijkt ze met u terug op uw ziekenhuisopname.

Operatiewond

De eerste week thuis kan de buikwond nog gevoelig zijn of wat zwellen. Bij de eerste controle op de polikliniek zal het herstel van uw wond worden gecontroleerd.

De pijnklachten zullen nog niet weg zijn als u thuis bent. U zult merken dat wanneer u zich wat meer gaat inspannen, u wat meer pijnklachten kunt krijgen. U mag hiervoor 3 tot 4x daags 1 of 2 tabletten paracetamol gebruiken.

U mag gewoon douchen met de wond. De wond is meestal gehecht met agraves (een soort nietjes), die meestal op dag negen na de operatie verwijderd mogen worden. De huisarts kan dit voor u doen.

Wanneer contact opnemen?

Mocht u zich de eerste dagen thuis niet lekker voelen, dan kunt u de temperatuur opnemen. Neem bij een temperatuurstijging boven 38,5 °C contact op met de dienstdoend gynaecoloog of met de regieverpleegkundigen (zie het kopje ‘Belangrijke informatie’). Zij zijn er om u te helpen. Neem ook contact op wanneer uw toestand na enkele dagen achteruitgaat, bijvoorbeeld door buikpijn, braken of hevige rugpijn.

Aandachtspuntenlijst

Gesprekken na de operatie

Gesprek met de (zaal)arts
Tijdens dit gesprek komt aan de orde:

  • het verloop van de operatie
  • verwachting verder opnameverloop en herstel
  • datum van ontslag.

Gesprekken rondom ontslag

  • Hoe te handelen bij klachten en/of problemen.

Gesprek met de arts en/of verpleegkundige
U krijgt voorlichting over:

  • controle op de polikliniek
  • informatie over de nabehandeling (chemotherapie)
  • leefregels, werkhervatting
  • wanneer een arts te bellen
  • waar u terecht kunt met problemen
  • ‘Lastmeter’.

Herstel thuis en controles

Zowel de ziekte als de behandeling die u ondergaat, kunnen veel stress veroorzaken. Dit vraagt vaak veel van u, terwijl uw weerbaarheid juist minder is. Ook kan ziekte en behandeling veel gevolgen hebben voor uw dagelijks leven. Bijvoorbeeld in de omgang met anderen (partner, familie, vrienden), bij het vinden of hervatten van werk en/of huishouden en het weer ondernemen van activiteiten die altijd belangrijk voor u waren.

Werkzaamheden

Bekijk goed welke werkzaamheden u thuis aan kunt en in welk tempo. Probeer balans te vinden tussen activiteit en rust. Het kan zijn dat extra hulp thuis noodzakelijk is. Misschien kunt u dat in eigen familie- of vriendenkring regelen. Zo niet, dan kunt u in overleg met uw huisarts of met de afdelingsverpleegkundige aanvullende thuiszorg aanvragen. Als u een baan buitenshuis heeft, kunt u in overleg met uw arts na verloop van tijd uw werk weer hervatten. Hiervoor is geen bepaalde tijd te geven. Ieder mens is anders en uw herstel hangt nauw samen met de intensiteit van uw behandeling. Het is aan te raden om eerst bijvoorbeeld halve dagen te werken en dit langzaam uit te breiden.

Omgaan met veranderde situatie

Het kan moeilijk zijn om met deze veranderde situatie om te gaan en hierin een nieuwe weg te vinden. Soms roept het gevoelens op waarin u uzelf niet meer herkent. U kunt het gevoel hebben dat alles u overspoelt en dat u weinig grip meer op uw eigen situatie hebt. U kunt in dit geval het volgende ondernemen:

(Meer) informatie zoeken (zie ook meer onder het kopje ‘Extra informatie en ondersteuning’).

Professionele (medische) hulp of psychische ondersteuning zoeken bij uw huisarts of binnen het ziekenhuis bij de regieverpleegkundige Oncologie, maatschappelijk werker, psycholoog of diëtist.

Gesprekgroepen bijwonen of deelnemen aan een revalidatieprogramma zoals Fysiek herstel, Herstel & Balans® of Intermezzo (zie hieronder en onder het kopje ‘Extra informatie en ondersteuning’).

Erover blijven praten, wanneer u dat wilt. Uw omgeving kan denken dat als de behandeling voorbij is, u ook weer als vanouds functioneert. Zoek daarom iemand die naar u wil luisteren en u begrijpt.

Ook kunnen er klachten ontstaan zoals slapeloosheid, vermoeidheid, concentratiestoornissen, seksuele problemen, lusteloosheid of onrust. Wanneer dit zo is, is het verstandig extra begeleiding te zoeken om te voorkomen dat u in een vicieuze cirkel terechtkomt. In ons ziekenhuis is een aantal zorgverleners gespecialiseerd in het begeleiden van (ex-)kankerpatiënten. Er zijn maatschappelijk werkers, geestelijk verzorgers en psychologen. Met uw arts, de verpleegkundig specialist Gynaecologie of de regieverpleegkundige Oncologie kunt u bespreken wat in uw situatie het best is. Zij kunnen voor u een afspraak met één van deze zorgverleners maken. Ook patiëntenverenigingen, zoals Olijf, kunnen veel herkenning en steun bieden.

Controles na de behandeling

Het eerste jaar na de behandeling voor eierstokkanker zult om de drie maanden voor controle bij de gynaecoloog komen. De controles na uw behandeling zijn bedoeld om het opnieuw optreden van kanker op te sporen en om na te gaan of u nog klachten heeft van de behandeling. Over het algemeen zal deze controle bestaan uit:

  • gesprek over hoe het met u gaat
  • lichamelijk onderzoek
  • controle naar bevindingen.

Bij twee van de vier controles heeft u een gecombineerde afspraak met de regieverpleegkundige Oncologie. Vanaf het tweede jaar worden de controles bij de gynaecoloog minder en na vijf jaar zijn de controles in principe afgerond.

Lastmeter

De lastmeter biedt u de mogelijkheid om zelf aan uw verpleegkundige of arts te laten weten hoe het met u gaat. Het kan helpen in gesprek te gaan over zorgen of problemen die u door uw ziekte en/of behandeling ervaart. De regieverpleegkundige Oncologie zal u ook vragen om op bepaalde momenten deze lastmeter in te vullen. De werkwijze is dat u eerst op de ‘thermometer’ aangeeft hoeveel last u de afgelopen week heeft gehad op lichamelijk, emotioneel, sociaal en praktisch gebied. Daarna vult u de probleemlijst in voor eventueel ervaren problemen in de afgelopen week. Meer informatie over de lastmeter vindt u onderaan deze pagina.

Gevolgen van de behandeling

Een grote gynaecologische operatie vergt veel van een vrouw, zowel geestelijk als lichamelijk. De combinatie met chemotherapie maakt de behandeling langduriger en zwaarder. Er gaat tijd overheen voordat uw conditie voldoende is hersteld om uw gebruikelijke bezigheden te kunnen hervatten. Vermoeidheid of een gevoel van slapte kan maandenlang aanhouden. Het is daarom raadzaam dat u zich de eerste tijd beperkt tot bezigheden die niet te veel energie vragen. Naast de tijd die nodig is voor het herstel van uw algehele conditie, kunnen zich na de operatie andere problemen voordoen.

Urineverlies

Sommige vrouwen hebben na de operatie moeite met het ophouden van de urine. Dat is het geval als bij de operatie kleine zenuwen van de blaas zijn beschadigd. Dat is niet altijd te voorkomen. Normaal geven die zenuwen een signaal dat u moet plassen. Als die zenuwen niet meer functioneren, raakt de blaas te vol. U verliest dan zonder voorafgaande aankondiging ineens urine. De eerste maanden na de operatie moet u daarom op geregelde tijden gaan plassen. Meestal keert het signaal dat u moet plassen na enige tijd geleidelijk terug.

Vervroegd in de overgang

Voor vrouwen die nog niet in de overgang waren, betekent verwijdering van de eierstokken dat zij vervroegd in de overgang komen. Net als de natuurlijke overgang kan dit verschijnselen veroorzaken als ‘opvliegers’, overmatige transpiratie en het afwisselend warm en koud hebben.

Seksualiteit

Elke gynaecologische klacht, aandoening, onderzoek of behandeling kan gevolgen hebben voor uw seksueel functioneren. Ook hormonale veranderingen kunnen van invloed zijn hierop. Seksualiteit is een belangrijk onderdeel van het leven en problemen kunnen een bron van spanning geven, vaak ook binnen een relatie.

Seksuele problemen komen vaker voor dan de meeste mensen denken, maar niemand komt er gemakkelijk openlijk voor uit. Vaak is het met deskundige hulp goed mogelijk seksuele problemen te verhelpen of ze meer draaglijk te maken. Aarzel niet om ook deze problemen met uw behandelend specialist, regieverpleegkundige Oncologie, nurse practitioner of huisarts te bespreken en vraag zo nodig verwijzing naar een seksuoloog.


20 augustus 2014 7011 Nee Ja

Stuur door

Door onderstaande invulvelden in te vullen, stuurt u deze informatie gemakkelijk door.
Aan emailadres*
   
Uw naam Uw emailadres*
   
Bericht