ISALA

Weergave

Om u de beste leesbaarheid te bieden, kunt u hier het lettertype en de achtergrondkleur naar wens aanpassen.

Lettertype


Achtergrond

Bekkenbodemproblemen bij vrouwen

​In deze folder gaan we in op bekkenbodemklachten, de mogelijke onderzoeken en de behandeling. Bekkenbodemproblemen komen vaak voor, maar er wordt weinig over gepraat. Verschillende klachten kunnen te maken hebben met het niet goed functioneren van de bekkenbodem.

Voorbeelden:

  • Moeite hebben met het ophouden van urine (urine-incontinentie)
  • Vaak moeten plassen
  • Het gevoel hebben dat er iets uit de schede naar buiten komt
  • Pijn bij het vrijen
  • Problemen met de ontlasting (verstopping, diarree)
  • Moeite hebben met het ophouden van ontlasting.

De bekkenbodem, blaas, darmen en de schede liggen dicht tegen elkaar aan. Vaak komen daarom tegelijkertijd verschillende klachten voor. Veel vrouwen vinden het lastig om problemen met plassen, de ontlasting of vrijen te bespreken. Ook denken veel vrouwen dat er toch weinig aan hun klachten te doen is. Toch zijn er verschillende goede behandelingen voor bekkenbodemproblemen. Het is dan ook belangrijk dat u al uw klachten met de huisarts of gynaecoloog bespreekt, ook al vindt u dat moeilijk of schaamt u zich voor bepaalde klachten.

Wat is de bekkenbodem?

Het bekken verbindt de wervelkolom met de benen. Het bevindt zich op ongeveer de halve hoogte van het skelet van de mens, draagt het gewicht van het bovenlijf en beschermt de organen in de bekkenholte. Het bekken bestaat uit een soort trechter van botten. De blaas, de baarmoeder, de schede en het uiteinde van de dikke darm (endeldarm) bevinden zich in het bekken, dit zijn de bekkenbodemorganen. De bekkenbodem is een laag spieren die de bodem van de trechter afsluit en de organen in het bekken ondersteunt. De spieren van de bekkenbodem en de ophangbanden die vastzitten aan de botten van het bekken houden de bekkenbodemorganen op hun plaats.

De bekkenbodem heeft drie openingen: namelijk voor de plasbuis, de schede en de anus. Bij bepaalde bewegingen, zoals hoesten of lachen, neemt de druk in de buikholte toe. De bekkenbodem houdt dan de bekkenbodemorganen op hun plaats en voorkomt dat ze naar buiten vallen. 

Op de afbeelding hieronder zijn bekkenbodem en de verschillende organen afgebeeld.

   

Zenuwen, banden en spieren van de bekkenbodem zorgen ervoor dat de blaas, de endeldarm en de schede kunnen worden afgesloten. Hierdoor kan ongemerkt urine of ontlasting worden opgehouden. Bij toiletbezoek moeten deze spieren juist ontspannen om urine of ontlasting kwijt te raken. Ook tijdens het vrijen is het belangrijk dat de spieren ontspannen. 

Samengevat heeft de bekkenbodem de volgende functies:

  • Afsluiting van de buikholte, zodat de bekkenbodemorganen niet naar buiten komen
  • Voorkomen van ongewenst verlies van urine en ontlasting
  • Het mogelijk maken van plassen, ontlasting hebben en gemeenschap.

Bekkenbodemklachten

Normaal gesproken zijn de spieren van de bekkenbodem een beetje aangespannen. De bekkenbodem kan worden vergeleken met een elastiek: een te strak gespannen elastiek heeft weinig of geen veerkracht. Maar zonder spanning hangt het elastiek los en verliest het zijn werking. Ook de bekkenbodem kan te slap zijn of juist te sterk aangespannen.

Slappe of beschadigde bekkenbodem

Een te zwakke of beschadigde bekkenbodem kan de volgende klachten veroorzaken:

  • Klachten van een verzakking
  • Als de urineblaas en plasbuis niet goed werken, kan ongewild urineverlies optreden (urine-incontinentie). Soms is het moeilijk om goed uit te plassen of is er sprake van vaak of snel aandrang hebben om te plassen.
  • Vaak blaasontstekingen
  • Als het uiteinde van de dikke darm niet goed werkt, is de ontlasting vaak moeizaam (verstopping of obstipatie).
  • Moeite met het ophouden van de ontlasting waardoor er ongewenst verlies van ontlasting optreedt (ontlastingsincontinentie).
  • Andere klachten: onderbuikspijn, moeheid, pijn in de liezen, in de benen of in de onderrug.
  • Seksuele klachten komen ook vaak voor.

Hieronder gaan we kort op een aantal klachten in.

Een verzakking
Bij een verzakking kan de blaas, het einde van de dikke darm of de baarmoeder via de schede naar buiten zakken. Bij een verzakking van de blaas is er een uitpuiling in de vorm van een ronde bol aan de voorkant van de schede zichtbaar, een verzakking van het einde van de dikke darm is zichtbaar als een uitpuiling aan de achterzijde van schede. Bij een verzakking van de baarmoeder is de baarmoedermond soms te zien bij de ingang van de schede. Het kan ook voorkomen dat meerdere organen tegelijkertijd verzakken. Door een verzakking kan er een zwaar gevoel in de schede ontstaan. Sommige vrouwen hebben het gevoel een bal tussen de benen te hebben, alsof er iets naar buiten komt. Een zeurderig gevoel in de onderbuik dat uitstraalt naar de rug kan ook voorkomen, met soms extreme moeheid tot gevolg. Zitten en fietsen kunnen problemen opleveren. Vaak verergeren de klachten in de loop van de dag of na inspanning; na rust verbeteren ze meestal.

Bij een verzakking van de blaas kan het moeilijk zijn om de urine op te houden. Bij een grote verzakking van de blaas wordt soms de plasbuis afgekneld en kan het juist moeilijk zijn om uit te plassen. Bij een verzakking van de darm, is het soms lastig om de ontlasting kwijt te raken, ook al is er aandrang. Ook het gevoel dat er na het ontlasten nog iets achterblijft, kan voorkomen. Door verstopping kunnen aambeien ontstaan en bij een enkele vrouw komt het laatste stuk van de dikke darm naar buiten. Niet alle verzakkingen geven klachten. Als er geen klachten zijn, is behandeling niet nodig. 

Ongewenst verlies van urine (urine-incontinentie)
Er zijn drie vormen van urine-incontinentie:

  • stressincontinentie
  • urge-incontinentie
  • gemengde incontinentie.

Stressincontinentie (inspanningsincontinentie) komt voor bij inspanning zoals tillen, sporten of springen. Met stress wordt hier bedoeld dat het urineverlies optreedt als de druk in de buikholte plotseling toeneemt door aanspanning van de buikspieren. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij niezen, hoesten, lachen, tillen, sporten of plotseling opstaan. Er is dan sprake van urineverlies zonder aandrang te voelen om te plassen.

Bij urge-incontinentie (aandrangincontinentie) is er juist wel veel aandrang om te plassen. Ieder half uur plassen is niet ongebruikelijk. Soms is de aandrang zo sterk of plotseling dat het toilet niet op tijd gehaald wordt. Dit gebeurt bijvoorbeeld ook bij het veranderen van houding, bij het lopen of bij het horen van stromend water.

Nogal wat vrouwen hebben tegelijkertijd last van stressincontinentie en urge-incontinentie, dit noemen we gemengde incontinentie. Voor de behandeling is het belangrijk te onderzoeken welke vorm van incontinentie het zwaarst weegt.

Moeite met het ophouden van de ontlasting (ontlastingsincontinentie)
Bij ontlastingsincontinentie kan het moeilijk zijn om de ontlasting op te houden en kan het gebeuren dat het toilet soms niet op tijd bereikt wordt. Soms komt er ontlasting naar buiten, zonder aandrang. Het ophouden van windjes kan soms ook moeilijk zijn. 

Ontlastingsincontinentie kan verschillende oorzaken hebben. Bij sommige vrouwen is een weinig gevoelige endeldarm en/of verzakking van de endeldarm de oorzaak. Soms ligt het aan de kringspier, die de ontlasting moet tegenhouden. Deze kringspier kan bijvoorbeeld beschadigd raken bij een bevalling of na een operatie rond de anus. Op oudere leeftijd kan de kringspier dunner en zwakker worden.

Seksuele problemen
Sommige vrouwen met bekkenbodemklachten hebben ‘minder gevoel’ bij het vrijen, komen moeilijker tot een orgasme of hebben urineverlies bij het vrijen. In het geval van een verzakking is gemeenschap soms moeilijker of pijnlijker. Veel vrouwen en hun partners zijn bang voor beschadiging bij seksuele gemeenschap, maar dat hoeft niet: het weefsel van de schedewand is soepel en geeft mee bij de gemeenschap.

Te gespannen bekkenbodem

Om de blaas en darmen goed te kunnen legen, is het belangrijk dat de bekkenbodemspieren op tijd kunnen ontspannen. Soms is dit moeilijk en spannen de spieren zelfs aan. Door die spanning lukt het niet om te plassen en de kringspier van de anus kan als het ware ‘op slot’ gaan. Ook de spieren die de ingang van de schede afsluiten, zijn dan vaak gespannen. Ook bij het vrijen is ontspanning van de bekkenbodem essentieel. De schede blijft anders nauw en voelt stug aan, waardoor gemeenschap vervelend of pijnlijk kan zijn.

Veel voorkomende klachten bij een te gespannen bekkenbodem zijn:

  • Veelvuldig plassen (soms wel 10-20 keer per dag) en ook meerdere malen ’s nachts
  • Een ‘onderbroken’ straal of een moeilijk begin van het plassen is niet ongebruikelijk
  • Steeds terugkerende blaasontstekingen
  • Problemen met de ontlasting zoals afwisselend verstopping en diarree, aambeien, of het gevoel bij de ingang van de schede
  • Langdurige pijn in de onderbuik, het bekken, de rug of de liezen.

Oorzaken bekkenbodemklachten

Er zijn verschillende oorzaken voor bekkenbodemklachten.

Te zwakke bekkenbodem

Zwangerschap en bevalling
Tijdens de zwangerschap en bevalling staat er veel druk op de bekkenbodem. De spieren, het bindweefsel en het zenuwweefsel kunnen hierdoor beschadigen. De bekkenbodem kan na de bevalling ‘anders’ aanvoelen. Sommige vrouwen hebben een tijd last van incontinentie of een trekkend gevoel onder in de buik bij het tillen. Dit gaat meestal vanzelf weer over. 

Leeftijd
Op oudere leeftijd worden de bekkenbodemspieren, net als de andere spieren, vaak zwakker. Dit komt deels doordat veel vrouwen de spieren minder intensief gebruiken en deels doordat de vrouwelijke hormonen na de overgang afnemen.

Aangeboren zwakte van bindweefsel
Sommige vrouwen hebben zwak bindweefsel. Dat zit vaak in de familie: oma, moeder en dochter hebben allemaal bekkenbodemklachten. Vrouwen met zwak bindweefsel hebben ook meer kans op spataders en liesbreuken.

Andere oorzaken
Zwaar lichamelijk werk, overgewicht en hoesten (door roken of een longaandoening) zorgen voor langdurige overbelasting van de bekkenbodem met mogelijk bekkenbodemklachten tot gevolg.

Te gespannen bekkenbodem

Een te gespannen bekkenbodem heeft vaak een psychologische oorzaak. De reden is niet altijd duidelijk. Het gebruik van de bekkenbodem is een leerproces: meisjes leren onbewust om de bekkenbodemspieren te gebruiken. Daarin kan op verschillende manieren iets fout lopen, waardoor de spanning in het bekken wordt verhoogd. Voorbeelden hiervan zijn een opvoeding waarin benadrukt wordt dat het onderlichaam vies is, te vroege of te intensieve zindelijkheidstraining en negatieve seksuele ervaringen zoals verkrachting en incest.
Vrouwen met een negatief gevoel over hun onderlichaam spannen hun bekkenbodemspieren vaak onwillekeurig te sterk. Hierdoor voelen zij minder goed dat zij naar het toilet moeten. Dit kan leiden tot plasklachten en verstopping. Een te aangespannen bekkenbodem is ook een veel voorkomende klacht van pijn bij het vrijen.

Hoe vaak komen klachten van de bekkenbodem voor?

  • Verzakkingen komen vooral op oudere leeftijd voor, maar soms hebben ook jongere vrouwen er last van. Ongeveer 25% van de volwassen vrouwen heeft last van een verzakking en ongeveer 11% van de vrouwen wordt hiervoor geopereerd.
  • Ongewild urineverlies komt bij zeer veel vrouwen voor: één op de vier vrouwen heeft hier wel eens last van. Lang niet altijd is het urineverlies ernstig of treedt het iedere dag op. Dagelijks voorkomend urineverlies komt voor bij 6% van alle vrouwen. Eén derde van hen vindt dit verlies zo hinderlijk dat zij nauwelijks de deur uit durven, bijvoorbeeld uit angst voor doorlekken of een onaangename geur.
  • Urine-incontinentie komt op elke leeftijd voor, maar vaker tijdens de zwangerschap en op oudere leeftijd. Incontinentie voor ontlasting kan voorkomen na beschadiging van de kringspier rond de anus bij een bevalling of ook op oudere leeftijd. Verlies van dunne of vaste ontlasting komt bij 7% van de volwassen vrouwen voor.

Hoe ervaren vrouwen bekkenbodemklachten?

In onze Westerse cultuur leren kinderen op jonge leeftijd dat ontlasting en urine vies zijn. Veel vrouwen vinden het dan ook moeilijk om plas- of ontlastingsproblemen te bespreken. Ook klachten over het naar buiten zakken van tampons, over het verliezen van water uit de schede na het nemen van een bad of over ‘windjes’ uit de schede zijn soms moeilijk bespreekbaar. Vrouwen hebben daardoor vaak het idee dat ze de enige zijn met deze klachten.

De kwaliteit van leven kan verminderen door gevoelens van schaamte en je vies voelen, de geur van urine of ontlasting, de angst voor ontdekking door buitenstaanders en het uit de weg gaan van seksueel contact. Omdat vrouwen zich vaak schamen, zoeken zij vaak geen deskundige hulp terwijl er dikwijls een behandeling mogelijk is.

Onderzoek

Gesprek

Bij bekkenbodemproblemen is het belangrijk dat de gynaecoloog weet wat uw klachten zijn. Vertel uw klachten daarom in uw eigen woorden. De gynaecoloog zal u hierna nog een aantal vragen stellen, bijvoorbeeld of uw problemen hebt met plassen, ontlasting en seksualiteit en of u andere gynaecologische klachten heeft. Ook ziekten, vroegere medische ingrepen, medicijngebruik of zwangerschappen kunnen ter sprake komen.

Na het eerste gesprek volgt een gynaecologisch onderzoek. Aan de hand van uw klachten, het gesprek en het gynaecologisch onderzoek bespreekt de arts met u of aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Een aantal van deze onderzoeken wordt hieronder beschreven. Soms wordt nog meer onderzoek geadviseerd, zoals een echoscopisch onderzoek of een MRI-scan. De gynaecoloog geeft u dan verdere informatie.

Gynaecologisch onderzoek

Bij een gynaecologisch onderzoek bekijkt de gynaecoloog de schede en de baarmoedermond. U zit tijdens het onderzoek op een gynaecologische onderzoekstoel, met uw onderlichaam bloot en uw benen gespreid. Als u dat wilt, kunt u vragen of u mee kunt kijken met een spiegel.

  • Vaak begint de gynaecoloog met de vraag of u wilt persen. Soms is dan al een verzakking te zien. 
  • Daarna wordt een speculum (eendenbek) in de schede ingebracht. Dit is een instrument om de schede open te houden. De baarmoedermond of de top van de schede kan nu bekeken worden. Soms vraagt de gynaecoloog u nogmaals te persen: een kleinere verzakking is nu zichtbaar.
  • Daarna volgt een inwendig onderzoek (vaginaal toucher). De arts brengt twee vingers in de schede en legt de andere hand op uw buik. Zo kunnen de baarmoeder, eierstokken en bekkenbodem worden onderzocht. Ook nu kan de arts u vragen te persen of juist om de spieren van de schede aan te spannen. Hiermee kan de kracht van de bekkenbodemspieren worden gemeten.
  • Als er problemen met de ontlasting zijn, kan de gynaecoloog met een vinger in het rectum (uiteinde van de dikke darm, via de anus) voelen om de achterwand van de schede en de bekkenbodem te beoordelen. Dit wordt een rectaal toucher genoemd.

Urineonderzoek

Een urineonderzoek kan aantonen of er sprake is van een blaasontsteking. Hiervoor is een ‘gewassen’ plas noodzakelijk. U maakt hiervoor eerst de ingang van de schede schoon. Daarna plast u een klein beetje uit en de rest van de urine vangt u op in een potje.

Urodynamisch onderzoek (UDO)

Met een urodynamisch onderzoek kan de arts beoordelen of de blaas en de plasbuis goed werken. Bij dit onderzoek brengt de arts via de plasbuis een dun slangetje (katheter) in de blaas. Via het slangetje wordt de blaas gevuld met vocht. Aan het eind van het slangetje zit een kleine drukmeter. Terwijl u hoest of juist plast, krijgt de arts informatie over de blaasspier, de werking van de bekkenbodem en het soort urineverlies. Voor een UDO-onderzoek wordt u verwezen naar de uroloog.

Defecogram

Dit röntgenonderzoek kan worden verricht bij ontlastingsproblemen. U krijgt via de anus een slangetje in de darm waardoor een röntgencontrastmiddel in het laatste deel van de dikke darm (endeldarm) wordt gebracht. Er wordt ook contrastmiddel in de schede gebracht en u krijgt röntgencontrastvloeistof te drinken om de dunne darm zichtbaar te maken. Soms wordt tegelijkertijd de druk in de dikke darm gemeten, daarvoor wordt een dun slangetje in de dikke darm gebracht.

Tijdens het onderzoek moet u op een aangepast toilet de ontlasting laten gaan, terwijl er röntgenfoto’s worden gemaakt. Zo ziet de arts hoe de dikke darm werkt en of deze verzakt is. Veel mensen vinden dit onderzoek vervelend en vinden het moeilijk om naar de wc te gaan, terwijl er beelden worden gemaakt. Dit is heel begrijpelijk. Vertel het de arts of de röntgenlaborant als u dit moeilijk vindt, zij zullen u zo goed mogelijk begeleiden en geruststellen. 

Dynamische MRI bekkenbodem

Bij een MRI-onderzoek van de bekkenbodem wordt gekeken naar de werking van de spieren en organen van de bekkenbodem. De MRI bestaat uit een tunnel en een verschuifbare tafel. Tijdens het onderzoek ligt u op deze verschuifbare tafel. Voorafgaand aan het maken van de scan brengt de laborant via een dun buisje echogel in uw endeldarm via uw anus. De echogel wordt ingebracht om de structuren van de bekkenbodem goed te kunnen onderscheiden. Daarnaast wordt er ook echogel in de schede gebracht. Tijdens het scannen zult u op een gegeven moment gevraagd worden de bekkenbodemspieren te ontspannen en vervolgens aan te spannen gedurende enkele seconden. Vervolgens zal gevraagd worden de ingebrachte echogel uit te persen. Tijdens het persen zullen er MRI-opnamen gemaakt worden om de werking van de bekkenbodemspieren te beoordelen. De tijd die nodig is voor het maken van een opname, kan variëren van een paar seconden tot ongeveer tien minuten. Er worden meerdere opnamen gemaakt gedurende het onderzoek.

Behandelmogelijkheden

Bij bekkenbodemproblemen zijn verschillende behandelingen mogelijk. De soort behandeling is afhankelijk van uw klachten en de bevindingen bij onderzoek. Bekkenbodemproblemen zijn niet levensbedreigend. Een beslissing hoeft u dan ook nooit onmiddellijk te nemen. Als er niet op een eenvoudige manier wat aan uw klachten te doen is, kan de gynaecoloog een meer ingrijpende behandeling, zoals een operatie, voorstellen. U bent echter degene die de voor- en nadelen van een behandeling tegen elkaar moet afwegen.

Algemene adviezen bij bekkenbodemklachten

Voorkómen
Het is moeilijk te zeggen of bekkenbodemklachten te voorkomen zijn. Bij een zwakke bekkenbodem is het belangrijk de bekkenbodemspieren door middel van oefeningen te trainen. Een gespecialiseerde fysiotherapeut kan u hierover adviezen geven. Vaak verbeteren de klachten, in andere gevallen kunt u voorkomen dat ze verergeren of na een operatie terugkeren. Deze oefeningen blijven dus ook na een eventuele operatie op lange termijn belangrijk. 

Zwangerschap en bevalling
Voor vrouwen die nog kinderen willen krijgen, luidt het advies om al tijdens de zwangerschap, maar zeker na de bevalling oefeningen te doen om de bekkenbodemspieren te versterken. Het is helaas niet altijd mogelijk om (verergering van) de bekkenbodemklachten te voorkomen. Houdt er rekening mee dat de bekkenbodem vaak traag herstelt zolang u borstvoeding geeft. De eierstokken maken dan weinig vrouwelijke hormonen (oestrogenen) waardoor de wand van de schede vaak droog aanvoelt en de ophangbanden van de baarmoeder hun oude stevigheid nog niet terugkrijgen.

Dieet en vocht
Een vezelrijk dieet en veel drinken kunnen helpen de ontlasting soepel te houden. Zo voorkomt u verstopping en onnodig persen. Minimaal 1,5 liter vocht (inclusief koffie en thee) per dag is verstandig, maar meer dan 2,5 liter is niet nodig.

Overgewicht
Overgewicht geeft extra belasting van de bekkenbodem. Het verminderen van overgewicht (minder eten en meer bewegen) is dan ook van belang.

Zwaar tillen
Bij een zwakke bekkenbodem kunt u beter niet teveel en niet te zwaar tillen. Tegen normale tilwerkzaamheden (zoals boodschappen doen, stofzuiger de trap opdragen) bestaat geen bezwaar. Als u beroepsmatig zwaar lichamelijk werk verricht, is het verstandig met uw gynaecoloog en eventueel uw bedrijfsarts te overleggen.

Roken
Hoesten geeft veel druk op de bekkenbodem. Het is dan ook verstandig om de kans op hoesten te verkleinen door met roken te stoppen. Als u moeite heeft om te stoppen met roken, bespreek dit dan met uw gynaecoloog of huisarts.

Strakke kleding
Door het dragen van strakke korsetten of strakke broeken, neemt de druk in de buik toe en daarmee de belasting van de bekkenbodem. Buik- en bekkenbodemspieren worden minder gebruikt en kunnen zo verslappen.

Sporten
Lichamelijke beweging helpt om verstopping en overgewicht te voorkomen. Ook bij bekkenbodemklachten is het gezond om veel te bewegen. Kies liever niet voor een sport waarbij u zware dingen moet tillen of veel moet springen op een harde bodem, zoals volleybal of aerobics. U kunt beter een sport kiezen waarbij de bekkenbodem minder wordt belast. Denk aan zwemmen, schaatsen, fietsen, tafeltennis en golfen.

Fysiotherapie
Door middel van fysiotherapie kunnen bij bekkenbodemproblemen, de bekkenbodemspieren worden versterkt. Een fysiotherapeut die gespecialiseerd is in bekkenbodemproblemen kan door middel van oefeningen, leren de spieren van de bekkenbodem aan te spannen en te ontspannen.

Wanneer is bekkenbodemfysiotherapie zinvol?

In verschillende situaties kan bekkenbodemtherapie zinvol zijn:

Bij urine-incontinentie
Met bekkenbodemfysiotherapie kunt u het afsluitmechanisme van de blaas versterken, zodat u minder gemakkelijk urine verliest. De oefeningen helpen vooral vrouwen die urine verliezen als ze bijvoorbeeld lachen, hoesten of persen (inspanningsincontinentie). Na fysiotherapie is het urineverlies ongeveer bij de helft van de vrouwen zo afgenomen dat zij het geen probleem meer vinden. Maar er zijn ook vrouwen bij wie bekkenbodemfysiotherapie niet zo goed helpt. Van te voren valt niet te zeggen of de behandeling wel of niet werkt bij u. Bekkenbodemtherapie heeft geen vervelende bijwerkingen, dus u kunt het veilig uitproberen.

Bij een verzakking
Een verzakking verdwijnt niet door bekkenbodemfysiotherapie, maar de oefeningen kunnen wel helpen om de klachten te verminderen bij een lichte of matige verzakking. U leert de bekkenbodemspieren beter beheersen, zodat zij de druk van de verzakte organen beter kunnen opvangen als u beweegt. Daarmee kunt u verergering van de verzakking voorkomen. Bij een ernstige verzakking helpt bekkenbodemfysiotherapie meestal niet of onvoldoende. Toch is fysiotherapie dan zinvol: als u de spieren beter gebruikt, voorkomt u misschien dat de klachten erger worden.

Voor en na een operatie
Het kan verstandig zijn om voor en na een operatie voor een verzakking of incontinentie, bekkenbodem- en buikspieroefeningen te doen. U traint daarmee de spieren om de druk op de bekkenbodem goed op te vangen, zowel voor als na de operatie.

Bij een te gespannen bekkenbodem
De bekkenbodemfysiotherapeut leert u hoe u de bekkenbodemspieren ontspant. Dit is nodig om goed uit te plassen en te ontlasten, maar ook bij gemeenschap. Pijn in de onderbuik of geslachtsdelen heeft soms ook te maken met een hoge spanning in de bekkenbodem. De bekkenfysiotherapeut leert u om die spanning te herkennen, te voelen en bewust te ontspannen.

Hoe verloopt bekkenbodemtherapie?

De fysiotherapeut vraagt eerst wat uw klachten precies zijn. Daarna wordt er een lichamelijk onderzoek uitgevoerd, waarbij gelet wordt op houding, ademhaling, spierkracht en de beweeglijkheid en stabiliteit van de rug en het bekken. Hierna gaat u zo ontspannen mogelijk op de onderzoeksbank liggen. De fysiotherapeut bekijkt het gebied rond het bekken eerst vanaf de buitenkant en kan daarna een inwendig onderzoek (via de schede en/of anus) verrichten om te beoordelen hoe goed de bekkenbodemspieren werken. Na het onderzoek zal de fysiotherapeut in overleg met u een plan voor behandeling opstellen.

Speciale technieken
De bekkenbodemfysiotherapeut kan speciale technieken gebruiken bij de behandeling van bekkenbodemproblemen.

Myo-feedback
Hierbij krijgt u feedback over de manier waarop u uw bekkenbodemspieren aanspant en ontspant. U ziet op een beeldscherm of hoort aan geluidssignalen hoe u de bekkenbodemspieren spant en ontspant. De fysiotherapeut meet deze spierspanning met een klein instrument (probe) dat tijdens de behandeling in de vagina of anus zit. U ziet of hoort daarna iedere aanspanning en ontspanning. 

Elektrostimulatie
Bij deze techniek krijgen de bekkenbodemspieren kleine stroomstootjes. Dit kan zinvol zijn als u de bekkenbodemspieren niet bewust kunt aansturen of als u pijn heeft in het bekkenbodemgebied. Door het stroomstootje spant de spier zich aan, waardoor de spier sterker wordt. Om klachten in het bekkengebied te verminderen, is het belangrijk dat de bekkenbodemspieren goed kunnen ontspannen. Elektrostimulatie is niet pijnlijk en niet gevaarlijk. 

Myo-feedback en elektrostimulatie zijn inwendige behandelingen. Het kan zijn dat u dit vervelend vindt, bijvoorbeeld door vervelende seksuele ervaringen. Als u het moeilijk vindt om op deze manier te worden behandeld, aarzel dan niet om dit kenbaar te maken bij uw fysiotherapeut.

Medicijnen

Medicijnen bij aandrangincontinentie

Er zijn verschillende medicijnen om aandrangincontinentie te verminderen. Deze medicijnen hebben nogal eens bijwerkingen, zoals een verstopping, droge ogen en een droge mond. Bij aandrangincontinentie is vaak ook begeleiding van een fysiotherapeut zinvol om te leren de urine langer op te houden. Dit wordt blaastraining genoemd.

Medicijnen bij verstopping

Bepaalde medicijnen maken de ontlasting soepeler. Bij verstopping zijn lichamelijke beweging, veel vezels en rauwkost en voldoende drinken erg belangrijk. Eventueel kunt u een verwijzing naar een diëtiste vragen. 

Vrouwelijke hormonen (oestrogenen)

Oestrogenen houden het slijmvlies van de schede stevig. Naarmate u ouder wordt, neemt de hoeveelheid vrouwelijke hormonen af. Dit gebeurt vooral na de overgang. Door een lage hoeveelheid vrouwelijke hormonen in het bloed, worden de wanden van de schede en de blaas droger en schraler. Seks kan dan pijnlijk worden. U kunt ook vaker blaasontstekingen krijgen. 

Vrouwelijk hormoon kunt u aanvullen via een vaginale crème of zetpil of met tabletten die u slikt. Als u geopereerd wordt, kan de arts zowel vóór als na de operatie, oestrogenen voorschrijven om het weefsel van de schede te versterken. U krijgt ook oestrogenen als een ring afscheidingsklachten of irritatie geeft.

Ring (pessarium)

Bij klachten van een verzakking of inspanningsincontinentie, biedt een ring (pessarium) soms een oplossing. Een pessarium is een van siliconen gemaakt ringetje of zeefje voor in de schede. Het pessarium duwt de verzakking terug, waardoor de klachten verminderen of zelfs verdwijnen. Er bestaan verschillende soorten ringen. De grootte varieert van enkele centimeters tot tien centimeter. De vorm is ovaal, rond, een kubus of een halve maan. Welke vorm en welke grootte voor u het beste is, hangt af van het type verzakking.

Een ring kan een oplossing bieden bij:

  • een verzakking van de baarmoeder of van de voorwand van de schede en de blaas.
  • klachten van inspanningsincontinentie. Deze verbeteren soms bij het dragen van een ring.

 Een ring is minder geschikt bij:

  • een verzakking van de achterwand van de schede
  • klachten van verstopping (obstipatie)
  • vrouwen die al eens een operatie hebben ondergaan aan de schede of baarmoeder
  • een wijde ingang van de schede. Dan biedt de bekkenbodem soms te weinig ondersteuning voor een ring. Deze zakt dan gemakkelijk naar buiten.

Het plaatsen van een ring

Het aanmeten van een ring gebeurt tijdens een inwendig onderzoek. De arts voelt hoe wijd de schede is en bepaalt welk pessarium voor u geschikt is. Vervolgens brengt de gynaecoloog het pessarium in de schede: aan de voorzijde rust het pessarium boven het schaambeen en aan de achterzijde op de spieren van de bekkenbodem. 

Na het plaatsen

Als een ring goed zit, voelt u deze niet. Een te kleine ring kan naar beneden zakken; een te grote ring kan pijnklachten geven. Soms is het nodig een aantal maten van ringen uit te proberen, voordat de goede maat gevonden is. Het kan zijn dat een ingebrachte ring na het polikliniekbezoek naar beneden zakt. U kunt dan gerust proberen met uw vingers de ring in de schede naar boven terug te drukken. U kunt hierbij niets beschadigen. Als de ring blijft zakken of irriteren, dan kunt u hem met zelf met een vinger naar buiten trekken. Ook dit kan geen kwaad. Neem de ring wel mee bij een volgend bezoek aan de gynaecoloog. 

Veel vrouwen zijn bang dat zij last krijgen van een ring bij gemeenschap of dat hun partner de ring voelt. Maar in de praktijk blijkt dit bijna nooit problemen op te leveren. Ook kunt u gerust tampons gebruiken als u menstrueert. 

Zelf inbrengen en uithalen

Het pessarium kan de vaginawanden irriteren. Dat kunt u voorkomen door ’s avonds zelf het pessarium uit de schede te halen en ’s ochtends weer in te brengen. Veel vrouwen vinden dit een eng idee, maar in de praktijk gaat dit meestal goed. Probeer zelf uit in welke houding u dit het liefste doet: liggend in bed, staand met bijvoorbeeld een been op een stoel of zittend op bed. Sommige vrouwen hebben een partner die de ring voor hen in en uit de schede haalt.
Zeker in het begin vragen vrouwen zich vaak af of het pessarium goed zit. Als u hem niet voelt zitten, kunt u ervan uit gaan dat het pessarium goed zit. Als er pijnklachten zijn, probeer dan met een vinger de ring van plaats te veranderen. De schede is aan de bovenkant afgesloten. De ring kan dus nooit verdwijnen of op een verkeerde plaats terechtkomen.

Bijwerkingen

Een ring ligt dicht bij de wand van de schede en drukt daar tegenaan. Daardoor kan irritatie van de wand van de schede ontstaan, met afscheidingsklachten tot gevolg. Over het algemeen is deze afscheiding vóór de overgang gering. Naarmate de overgang langer geleden is, wordt de schede droger en schraler. Een ring kan dan kleine drukwondjes geven, waardoor afscheiding kan ontstaan. Om dit te voorkomen kan de gynaecoloog u adviseren een zetpil of crème met vrouwelijke hormonen (oestrogenen) in de schede in te brengen. Deze verstevigen de schedewand en houden deze soepel. Het één of enkele malen per week inbrengen van deze medicijnen is meestal voldoende om irritatie of drukwondjes te voorkomen. Soms blijkt na een aantal jaren dat u een andere maat nodig heeft. Of soms is een ring na een aantal jaren niet meer nodig. Ook kan een ring op langere termijn onvoldoende helpen of te veel irritatie van de schedewand geven. Een operatie is dan alsnog noodzakelijk.

Controle

Wij adviseren de ring iedere drie tot zes maanden schoon te maken. U kunt dit zelf doen, door de ring uit de schede te nemen en onder de kraan schoon te borstelen. Daarna brengt u hem zelf weer in. Zolang u geen klachten heeft van overmatige of bloederige afscheiding, is controle van de ring niet noodzakelijk. 

Als het zelf uithalen en inbrengen van de ring voor u bezwaarlijk is, kan de gynaecoloog of de huisarts de ring ook voor u verschonen.

Andere hulpmiddelen

Bij klachten van inspanningsincontinentie zijn er naast bekkenbodemoefeningen en een ring, ook nog een aantal andere mogelijkheden om de klachten te verminderen. Een simpele oplossing is het inbrengen van een (eventueel natgemaakte) tampon in de schede. Hierdoor wordt de overgang tussen de blaas en de plasbuis als het ware wat naar boven gedrukt, zodat urine moeilijker wegstroomt. Voor vrouwen die bijvoorbeeld alleen tijdens het sporten last van urineverlies hebben, is dit soms een simpele oplossing die voldoende is.

Operatie

Er bestaan veel soorten operaties voor urine-incontinentie en verzakkingen. Ze vinden plaats via de schede of de buikwand. De keuze voor de soort operatietechniek hangt af van de bevindingen bij onderzoek en de ervaringen van de gynaecoloog met een bepaalde soort operatie. Hieronder geven we informatie over de meest voorkomende operaties.

Operatie bij inspanningsincontinentie

Het doel van een operatie voor inspanningsincontinentie is het afsluitmechanisme van de blaas weer te verstevigen. De overgang tussen de blaas en de plasbuis die vaak wat naar beneden gezakt is, wordt omhoog getrokken of geduwd zodat de urine minder gemakkelijk uit de blaas wegstroomt. Vaak wordt de plasbuis hierbij iets vernauwd, waardoor het plassen na de operatie tijdelijk wat moeilijker kan gaan. De operatie gebeurt via de buik of via de schede. 

‘Ophangoperatie’ via de buik (colposuspensie of Burchplastiek)

Hierbij wordt de plasbuis net onder de blaas met hechtingen vastgezet aan de binnenzijde van het schaambeen. 

TVT-operatie (Tension-free Vaginale Tape)

Dit is een methode die sinds 1996 zeer vaak wordt toegepast. Hierbij wordt een niet-oplosbaar bandje onder de plasbuis gestoken. Het bandje wordt meestal via de schede onder de plasbuis geplaatst. De gynaecoloog maakt vaak drie kleine sneetjes: één aan de voorzijde van de schede en twee in de liezen of boven het schaambeen. Het bandje is een soort hangmatje. Bij drukverhoging in de buik (bijvoorbeeld bij hoesten, lachen of springen) wordt de plasbuis tegen dit bandje gedrukt, waardoor de urine er minder gemakkelijk door kan. 

Minisling

Dit is een techniek die sinds 2006 op de markt is om inspanningsincontinentie te behandelen. Evenals bij een TVT-operatie, wordt bij een minisling een bandje geplaatst om ongewenst verlies van urine te voorkomen. Maar bij een minisling wordt het bandje zonder sneetje in de lies of buikwand geplaatst. 

Operatie bij verzakkingen
De soort verzakking en de ervaring van de gynaecoloog bepalen de keuze van de operatietechniek.

Voorwandplastiek

Deze operatie wordt uitgevoerd als de voorwand van de schede verzakt is. De operatie wordt via de schede uitgevoerd. De gynaecoloog maakt een snede in het midden van de voorwand en duwt de blaas (die uitstulpt in de schede) weer terug op de goede plaats. Het ruime bindweefsel rondom de blaas wordt verkort en in het midden weer aan elkaar gehecht. De blaas kan hier nu op rusten en de verzakking verdwijnt. Daarna wordt de overtollige schedewand (die ook te wijd is geworden) verwijderd. De wand van de schede wordt hierna over het bindweefsel en de blaas gehecht. Zo komt de voorwand van de schede weer op de plaats waar deze hoort te zitten en is de uitstulping verdwenen. Ook de overgang tussen de blaas en de plasbuis wordt door de operatie verstevigd, zodat u minder gemakkelijk urine verliest. Soms is het weefsel tussen de voorwand van de schede en de blaas erg zwak, bijvoorbeeld als de verzakking is teruggekomen na een eerdere operatie. Een kunststof matje (mesh) kan dan het weefsel verstevigen.

Achterwandplastiek

Deze operatie wordt uitgevoerd als de achterwand van de schede en de darm verzakt zijn. De operatie wordt via de schede uitgevoerd. Eerst wordt de uitgerekte achterwand van de schede (die als een bol kan uitstulpen in de schede) weer op zijn plaats gebracht. Het ruime bindweefsel rond de darm wordt ingekort en in het midden weer aan elkaar gehecht. De darm kan hier nu op rusten en de verzakking verdwijnt. Daarna wordt de overtollige schedewand (die ook te wijd is geworden) verwijderd. De wand van de schede wordt hierna over het bindweefsel en de darm gehecht. Zo komt de achterwand van de schede weer op zijn goede plaats en is de uitstulping verdwenen.

Bekkenbodemplastiek (perineoplastiek)

Deze operatie kan worden uitgevoerd als de ingang van de schede erg wijd is. Dit kan bijvoorbeeld wanneer de bekkenbodemspieren verslapt zijn, of wanneer deze spieren bij een bevalling zijn ingescheurd. De bekkenbodemspieren die zich aan de achterkant van de schede bevinden, worden aan de achterzijde van de schede naar elkaar toegetrokken. Hierdoor wordt de bekkenbodem verstevigd en wordt de ingang van de schede nauwer.

Operatie bij een baarmoederverzakking
Bij een verzakking van de baarmoeder, kan de baarmoeder via de schede worden verwijderd. De baarmoeder kan ook vast worden gemaakt aan een stevige bindweefselband in het bekken (het sacro-spinale ligament). Deze operatie (sacrospinale fixatie, zie hieronder) wordt via de schede uitgevoerd.

   
      

 

 

 

 

 

 
De bovenste afbeelding is een schematische tekening van een verzakte baarmoeder. De oorspronkelijke positie van de baarmoeder is met stippellijnen weergegeven. De onderste afbeelding laat de positie zien van de baarmoeder na een sacrospinale fixatie. Met twee hechtingen wordt de baarmoeder opgehangen aan een stevige bindweefselplaat in het bekken (het sacrospinale ligament).

De gynaecoloog kan ook alleen de baarmoedermond verwijderen en de banden rondom de baarmoeder inkorten (Manchester-Fothergill operatie). Deze operatie wordt ook via de schede uitgevoerd. Tot slot is het mogelijk om met een kijkoperatie in de buik de baarmoeder ‘op te hangen’ aan de wervelkolom. Bij deze ingreep wordt een matje gebruikt. Deze ingreep wordt de laparoscopische sacrohysteropexie genoemd.

Welke van deze operaties het beste voor u is, hangt af van uw persoonlijke situatie. De gynaecoloog bespreekt dit met u.

Operatie bij een verzakking van de top van de schede
Deze verzakking kan optreden wanneer de baarmoeder in het verleden is verwijderd. Een verzakking van de top van de schede kan, evenals een verzakking van de baarmoeder, via de schede worden geopereerd door de top vast te maken aan een stevig bindweefselplaat in het bekken (sacrospinale fixatie). Ook kan met een kijkoperatie de top van de schede met behulp van een matje aan de wervelkolom worden bevestigd (laparoscopische sacrocolpopexie). 

Kunststof matjes

Soms wordt een kunststof matje gebruikt om de bekkenbodem steviger te maken. Dit verkleint de kans dat de verzakking terugkomt. Een kunststofmatje heeft ook nadelen:

  • Een (klein) deel van het matje kan bloot komen te liggen in de schede. Dit wordt erosie genoemd. Door middel van vrouwelijke hormonen of een kleine ingreep wordt dit verholpen. 
  • Rond het matje kunnen littekens ontstaan, waardoor de schede nauwer wordt. Dit kan pijn bij het vrijen geven. 

Bovenstaande nadelen gelden voor matjes die via de schede worden geplaatst. Bij incontinentie-operaties wordt een kunststofbandje gebruikt. Dit is een andere techniek dan het inbrengen van een kunststof matje. De hierboven genoemde nadelen gelden in veel mindere mate voor het kunststof bandje. Ook wanneer het matje via de buik wordt geplaatst (bijvoorbeeld met een kijkoperatie) gelden deze nadelen in veel mindere mate.

 

De verzakte baarmoeder wordt met een kunststof band opgehangen aan de wervelkolom.

Verschillende operaties tegelijkertijd
De gynaecoloog kan verschillende van deze operaties tegelijkertijd doen. Een veel voorkomende operatie is bijvoorbeeld een voorwandplastiek in combinatie met het vastmaken van de baarmoeder aan een stevige bindweefselband in het bekken. Andere combinaties zijn ook mogelijk. Ook zijn er diverse uitbreidingen van bovengenoemde operaties mogelijk. 

Complicaties

Bij elke operatie kunnen complicaties optreden. Gelukkig komen complicaties na een bekkenbodemoperatie heel weinig voor. De meeste vrouwen zijn na de operatie zeer tevreden en wensen achteraf dat dit eerder was gebeurd. Hieronder worden de meest voorkomende complicaties van bekkenbodemoperaties beschreven. 

Blaasontsteking

Een blaasontsteking is een veel voorkomend probleem na een bekkenbodemoperatie. Indien nodig, schrijft de gynaecoloog u een antibioticum voor. Een blaasontsteking is hiermee goed te behandelen. 

Problemen met plassen

Door verandering van de plaats van de plasbuis of door vernauwing is het soms moeilijk na de operatie zelf de blaas te legen. Dit kan voorkomen na een operatie bij urine-incontinentie, maar ook na een operatie voor een verzakking. De hoeveelheid urine die achterblijft na het plassen, moet twee keer achter elkaar minder zijn dan 150 ml. Dit noemen we blaastrainen. Soms lukt dit nog niet goed in het ziekenhuis en heeft u een vertrouwde omgeving of iets langer tijd nodig om weer goed te kunnen plassen. In dit geval kan de verpleegkundige u zelfkatheterisatie aanleren, zodat u thuis rustig verder kunt gaan met blaastrainen. De continentieverpleegkundige van de afdeling begeleidt u hierin en kan u meer informatie geven. Vrijwel altijd is het een tijdelijk probleem. 

Urine-incontinentie

Alhoewel bekkenbodemoperaties soms als doel hebben ongewild urineverlies te verminderen, treedt soms (in circa 6% van de gevallen) ongewild urineverlies op na een verzakkingsoperatie. Het is niet duidelijk waardoor dit ontstaat en het is ook niet altijd te voorkomen. Het urineverlies is meestal niet ernstig. In uitzonderingsgevallen ontstaat ernstig urineverlies. Bijna altijd kan dit in een tweede kleine operatie (drie tot vier maanden na de eerste ingreep) worden verholpen.

Moeite met de ontlasting

Na een verzakkingsoperatie van de darm kunnen klachten ontstaan over moeilijk kwijtraken van de ontlasting. Deze klachten verdwijnen meestal spontaan na drie tot zes maanden. Het is niet verstandig om te persen. Tijdens de voorlichtingsbijeenkomst geven wij adviezen over de stoelgang. Na de operatie krijgt u medicijnen om de ontlasting soepel te houden. Ook krijgt u een recept voor deze medicijnen. 

Nabloeding

Een nabloeding is een zeldzame complicatie bij bekkenbodemoperaties. Bij operaties via de schede is het vaak voldoende om een tampon in te brengen. Dit is een lang gaas dat in de schede wordt aangebracht. Soms is een tweede operatie noodzakelijk. 

Pijn

Na een sacrospinale fixatie krijgt 1 op de 10 vrouwen voorbijgaande pijn in de rechter bil. Ook na andere bekkenbodemoperaties kunnen pijnklachten ontstaan (0-5%). Meestal is ook dit van tijdelijke aard.

Seksuele problemen

Bij een bekkenbodemplastiek wordt de ingang van de schede vernauwd om de bekkenbodem meer stevigheid te geven. De ingang van de schede wordt hierdoor kleiner. De gynaecoloog probeert de ingang van de schede ruim genoeg te houden voor het eventueel hebben van gemeenschap. Helaas is het resultaat soms anders dan u verwacht. Ook kan in een enkel geval de schede korter zijn geworden. Aarzel niet om bij seksuele problemen een afspraak met de gynaecoloog te maken om hierover te praten. Vaak kan er wel wat aan gedaan worden.

Opnieuw klachten

Ook na een geslaagde operatie kunnen jaren later opnieuw klachten ontstaan. Dit komt doordat bij een operatie de oorzaak van de verzakking of van het urineverlies niet wordt weggenomen. De gynaecoloog herstelt alleen de bekkenbodem. Helaas bestaan er geen behandelingen waardoor de problemen definitief niet meer terugkomen. Ook na verwijdering van de baarmoeder kan nog een verzakking van de top van de schede optreden. Als u denkt dat er sprake is van een nieuwe verzakking, aarzel dan niet om dit met uw huisarts te bespreken.

Voorbereiding op de operatie

Wij raden u aan om naar de voorlichtingsbijeenkomst te gaan die speciaal voor deze ingreep wordt gegeven.

Voor de operatie moet u ‘nuchter’ zijn. Als u in de ochtend wordt geopereerd, betekent dit dat u vanaf ’s nachts 00.00 uur niet meer mag eten, maar nog wel heldere dranken mag drinken tot 2 uur vóór de operatie. Bent u in de middag aan de beurt, dan mag u nog een licht ontbijtje nemen in de vorm van een cracker/beschuitje met een kop thee en tot 2 uur vóór de operatie heldere dranken drinken. 

Het is belangrijk dat u vóór de operatie een zo’n goed mogelijke conditie heeft. Daarom krijgt u eerst een uitgebreid preoperatief onderzoek. Hiervoor wordt u naar de anesthesioloog verwezen.  De anesthesioloog bespreekt met u welke verdoving u tijdens de operatie krijgt:

  • Bij operaties die via de schede plaatsvinden, zijn zowel algehele verdoving (narcose) als een ruggenprik mogelijk
  • Bij buikoperaties is narcose noodzakelijk

Vóór en/of tijdens de operatie wordt antibiotica gegeven om infecties te voorkomen. Als u overgevoelig bent voor bepaalde antibiotica, moet u dit vóór de operatie aangeven.

De dag van de operatie

  • U wordt op de dag van de operatie opgenomen.
  • Een verpleegkundige ontvangt u op de afdeling en vertelt u over de gang van zaken.
  • Er wordt met u afgesproken of uw contactpersoon na de operatie gebeld moet worden.
  • Uw bloeddruk wordt gemeten en u kunt uw spullen opbergen.
  • Als u aan de beurt bent voor de operatie, komt de verpleegkundige bij u met de operatiekleding en de medicatie waarmee u vóór de operatie begint. 

Na de operatie

Meestal brengt u na de operatie enkele dagen in het ziekenhuis door. De duur van de opname hangt af van de soort operatie.

Blaaskatheter
Bij een operatie voor een verzakking of voor urine-incontinentie krijgt u tijdens de operatie een blaaskatheter. De gynaecoloog brengt deze in via de plasbuis of via de buikwand (suprapubische katheter). De verpleegkundige verwijdert de katheter de volgende dag. Als u bent geholpen aan een verzakking van de blaas, zal worden gecontroleerd of u de blaas bij het plassen goed leeg kunt maken. Dit wordt ook wel blaastrainen genoemd.

Drain
Soms wordt tijdens de operatie ook een drain aangebracht. Dit is een dun plastic slangetje dat via de buikwand naar buiten komt. De drain voert overtollig bloed en wondvocht uit het operatiegebied af. De verpleegkundige verwijdert de drain als er geen vocht meer naar buiten komt. Meestal gebeurt dit één of enkele dagen na de operatie. 

Tampon
Bij verzakkingsoperaties via de schede brengt de gynaecoloog meestal aan het einde van de operatie een tampon in de schede. Dit is een lang gaas dat in de schede wordt aangebracht. Het stelpt kleine bloedinkjes. De verpleegkundige verwijdert het gaas de dag na de operatie. Schrikt u daarbij niet van de lengte!

Pijn of misselijk
De eerste dagen na de operatie zijn vaak pijnlijk. Buikpijn is vaak gebruikelijk bij een buikoperatie. De onderkant van de schede is zeker na een bekkenbodemplastiek pijnlijk. U krijgt daarom de eerste dagen na de operatie pijnstillers. Na narcose kunt u misselijk zijn. Ook bij verzakkingsoperaties via de buik kunnen de darmen wat van streek zijn. U begint dan voorzichtig met drinken en eten. Na enkele dagen kunt u weer normaal eten. 

Weer thuis

Veel vrouwen ervaren deze periode aanvankelijk als teleurstellend. Eenmaal thuis blijken veel vrouwen namelijk erg weinig te kunnen en snel moe te zijn. Bedenk dat een operatie altijd een aanslag is op uw lichaam en op uw reserves. In de herstelperiode is het belangrijk dat u goed naar signalen van uw lichaam luistert en niet te snel weer iets wil doen. 

De duur van het uiteindelijke herstel is bij elke vrouw verschillend. Sommige vrouwen zijn na zes weken hersteld, bij anderen kost het een half jaar of nog langer voordat zij zich weer de oude voelen.
Als u voelt dat u weer opknapt, kunt u geleidelijk uw activiteiten uitbreiden. 

Pijnbestrijding

Het is verstandig om de eerste week thuis de paracetamol te blijven gebruiken. U mag maximaal vier keer per dag twee tabletten van 500 mg innemen. We adviseren u de paracetamol op vaste tijden in te nemen. Afhankelijk van uw pijnklachten kunt u het gebruik van paracetamol afbouwen. Bij onvoldoende effect van de paracetamol mag u driemaal per dag twee tabletten paracetamol (500 mg) innemen, samen met één tablet ibuprofen 400 mg. Deze combinatie mag u maximaal de eerste drie dagen na opname gebruiken. Voorzichtigheid is geboden als u maagklachten heeft of krijgt. 

Huishouden

Regel de eerste zes weken na de operatie hulp bij zwaardere huishoudelijke taken. Na een operatie voor bekkenproblemen is het beter om de eerste maanden niet zwaar te tillen. Het optillen van een emmer water of een zware boodschappentas is onverstandig: het weefsel dat net op een nieuwe plaats is vastgemaakt, kan weer los raken. Wel kunt u licht huishoudelijk werk doen, zoals koken en afwassen. 

Werk

Ook voor werk buitenshuis moet u meestal op minimaal zes weken afwezigheid of langer rekenen. Bij lichamelijk zwaar werk is het soms verstandig nog iets langer te wachten met weer aan het werk gaan. U kunt dit al vóór de operatie met de gynaecoloog en eventueel bedrijfsarts bespreken. 

Bloedverlies

Bloedverlies kan tot ongeveer zes weken na de operatie optreden. Het wordt langzaam minder en gaat vaak over in bruinige of gelige afscheiding. Hechtingen in de schede lossen uit zichzelf op en kunnen tot ruim zes weken na de operatie uit zichzelf naar buiten komen. Douchen is geen probleem, baden mag weer na zes weken. 

Gemeenschap

U komt zes weken na de operatie voor controle bij de gynaecoloog op de polikliniek. Bij operaties via de schede kijkt de gynaecoloog of de schedewanden goed genezen zijn. Als dit het geval is, kunt u daarna weer gemeenschap hebben. Eerder is meestal niet verstandig, omdat beschadiging kan optreden. 

Sport

U kunt gerust een kleine wandeling maken. Na vier weken mag u weer fietsen. Sporten en zwemmen mag weer na zes weken, nadat u op controle bent geweest.

Wanneer contact opnemen?

Neem contact op met de afdeling Gynaecologie als u in de eerste twee weken na de operatie de volgende klachten heeft:

  • Koorts boven 38,5 graden Celsius
  • Overmatig bloedverlies (meer dan een gemiddelde menstruatie)
  • Obstipatie (verstopping)
  • Niet meer goed kunnen plassen of continu aandrang hebben en weinig plassen
  • Plotselinge toename van pijn

Welke behandeling?

Soms is het mogelijk tussen twee behandelingen te kiezen. Bij inspanningsincontinentie en bij een verzakking is soms zowel een behandeling met een ring als een operatie mogelijk. Beide behandelingen hebben voor- en nadelen. De keuze tussen een ring of een operatie hangt natuurlijk af van de vraag of er een ring voor u is die uw klachten voldoende verhelpt. Als dat niet het geval is, is een operatie het enige alternatief, naast het doorleven met uw klachten. Als een ring wel past en uw klachten verhelpt, is het uw beslissing of u de ring wilt blijven gebruiken of toch voor een operatie kiest.

Voor- en nadelen van een ring

  • Meningen van vrouwen en gynaecologen over voor- en nadelen van een ring verschillen. Dit hangt samen met opvattingen over hoe vervelend het is voor een vrouw om een ring te dragen, en hoe over een operatie gedacht wordt. 
  • Bij een ring is er altijd een kans dat later alsnog een operatie uitgevoerd moet worden. 
  • Een goed passende ring geeft nooit echte complicaties. Wel komen de al genoemde en over het algemeen goed te verhelpen klachten over irritatie van de schedewand op oudere leeftijd nogal eens voor. 

Voor- en nadelen van een operatie

  • In tegenstelling tot een ring biedt een operatie een meer definitieve oplossing voor uw klachten. 
  • Helaas bestaat er ook na een operatie de kans dat de klachten opnieuw optreden en dat een tweede operatie noodzakelijk is. 
  • Na een operatie lukt het vaak niet meer om een pessarium aan te meten, wanneer er opnieuw een verzakking ontstaat. 
  • Meestal verbeteren de klachten na een operatie, maar soms is er minder verbetering dan verwacht. Ook kunnen er bij een operatie complicaties optreden. 
  • U moet worden opgenomen in het ziekenhuis en het herstel duurt meestal ongeveer zes weken. 

Verschillende hulpverleners

Omdat bekkenbodemproblemen klachten van verschillende organen (urinewegen, darmen en schede) kunnen geven, is soms onderzoek, advies of behandeling door meer hulpverleners gewenst. 

  • De gynaecoloog is meestal uw hoofdbehandelaar. Er zijn binnen Isala een aantal urogynaecologen werkzaam; gynaecologen gespecialiseerd in bekkenbodemproblemen bij vrouwen. 
  • De uroloog kan om advies worden gevraagd bij blaasklachten. 
  • De darmchirurg (proctoloog) kan helpen bij problemen met de ontlasting. 
  • Een fysiotherapeut kan oefeningen bespreken bij te slappe of te gespannen bekkenbodemspieren. 
  • De seksuoloog kan hulp bieden bij seksuele problemen. 

De specialist naar wie u door uw huisarts bent verwezen, blijft uw hoofdbehandelaar, bij wie u met uw vragen terecht kunt. In enkele gevallen kan het voorkomen dat een andere hoofdbehandelaar wordt afgesproken om uw klachten beter te kunnen behandelen. 

Wetenschappelijk onderzoek en bekkenbodemklachten

De behandeling van bekkenbodemklachten is nog in ontwikkeling. Daarom wordt er in veel ziekenhuizen wetenschappelijk onderzoek verricht. Ook in Isala worden er onderzoeken naar de behandeling van bekkenbodemklachten uitgevoerd. Mogelijk wordt u gevraagd deel te nemen aan een onderzoek. Uw behandelend arts zal uitleggen welk doel het onderzoek heeft en wat de gevolgen van deelname zijn. U krijgt een informatiebrief mee om thuis rustig door te lezen. U bent geheel vrij om al of niet aan dit onderzoek mee te doen. 

Contact

Heeft u nog vragen, dan kunt u bellen met de locatie waar u onder behandeling bent:

Zwolle, Kampen of Heerde

Gynaecologie
(038) 424 56 04 (bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 17.00 uur)

Meppel of Steenwijk

Gynaecologie
(0522) 23 38 11 (bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 16.30 uur)

Kunt u niet komen? Laat het ons snel weten, dan maken wij een nieuwe afspraak.

Andere adressen

Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG)
www.nvog.nl (rubriek 'NVOG voorlichtingsbrochures’)

Stichting Bekkenbodem Patiënten (SBP)
(0900) - 11 11 999
www.bekkenbodem.net

Maag Lever Darm Stichting
(0900) - 20 25 625
www.mlds.nl

Bekkenbodemfysiotherapeuten
www.defysiotherapeut.com

Vereniging Nederlandse Incontinentie Verpleegkundigen
www.vniv.nl

Stoppen met roken
www.stivoro.nl/hulpbijstoppen.html

Verantwoording
Voor het schrijven van deze folder heeft Isala gebruikt gemaakt van informatie van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), waar ook de verantwoordelijkheid en de copyright berusten.


8 augustus 2017 7911 Nee Nee

Stuur door

Door onderstaande invulvelden in te vullen, stuurt u deze informatie gemakkelijk door.
Aan emailadres*
   
Uw naam Uw emailadres*
   
Bericht