ISALA

Weergave

Om u de beste leesbaarheid te bieden, kunt u hier het lettertype en de achtergrondkleur naar wens aanpassen.

Lettertype


Achtergrond

Blaaskanker (PID): H3 Behandelingen bij blaaskanker

Patiënten Informatie Dossier

​Behandeling bij blaaskanker (TURT)

Als er door middel van de onderzoeken vastgesteld wordt dat er sprake is van een blaastumor, wordt er een operatie gepland. Een blaastumor moet altijd verwijderd worden omdat deze groter kan worden, bloedingen kan veroorzaken en agressiever kan worden.

De operatie wordt TURT genoemd. Deze afkorting staat voor: transurethrale resectie van een tumor. Transurethraal betekent dat de operatie via de plasbuis (urethra) wordt uitgevoerd, dus via de natuurlijke weg. Resectie wil zeggen dat de tumor wordt weggehaald met behulp van een metalen lis waardoor stroom wordt geleid.

Het weefsel dat de uroloog wegneemt, wordt onderzocht op de aard en de kwaadaardigheid van de tumor. Ook wordt er dan gekeken of het spierinvasief of oppervlakkig is. Dit is belangrijk voor een eventuele vervolgbehandeling.

Transurethrale resectie van een blaastumor (TURT)

Blaastumoren worden onderverdeeld in:

  • Oppervlakkig groeiende tumoren (ontstaan in het blaasslijmvlies), die niet ingroeien in de spierwand.
  • Spierinvasief (= binnendringend) groeiende tumoren die zich wel tot in de spierwand uitbreiden.

TURT is een geschikte behandeling voor beide soorten tumoren.

  • Bij oppervlakkige blaastumoren is TURT een afdoende behandeling. Eventueel volgt er bij oppervlakkige blaastumoren een behandeling met blaasspoelingen.
  • Bij spierinvasief groeiende tumoren is na de TURT nog verdere behandeling noodzakelijk, bijvoorbeeld een operatie eventueel gecombineerd met chemotherapie of een behandeling door middel van radiotherapie (bestraling).

Een oppervlakkige blaastumor moet altijd worden verwijderd omdat deze groter kan worden, bloedingen kan veroorzaken of invasief kan worden. Bovendien is met het ‘blote oog’ niet met zekerheid vast te stellen of een tumor oppervlakkig is. De ingreep vindt plaats onder algehele verdoving (narcose) of onder regionale verdoving. Bij een regionale verdoving krijgt u een ruggenprik.

Preoperatief onderzoek

Nadat u met de uroloog heeft besproken dat u een operatie zult ondergaan, wordt u verwezen naar de anesthesioloog, voor een preoperatief onderzoek. De anesthesioloog is verantwoordelijk voor de verdoving (anesthesie) tijdens de operatie. Voorafgaand aan de operatie heeft de anesthesioloog gegevens nodig over uw gezondheid om eventuele risico’s uit te sluiten. Hij zal onder andere vragen of u al eerder geopereerd bent en of u medicijnen gebruikt. Als u medicijnen gebruikt, neemt u deze in de originele verpakking mee naar uw afspraak (of u vult de namen van de medicijnen in op het preoperatief formulier dat u van de secretaresse heeft gekregen). In de patiëntenfolder ‘Anesthesie’ kunt u meer informatie vinden over de verdoving. Beschikt u niet over internet, dan printen wij deze informatie graag voor u.

Oproep voor opname

Ongeveer een week voor uw operatie neemt de planningscoördinator van de polikliniek Urologie telefonisch contact met u op. Als u telefonisch niet bereikbaar bent, stelt zij u schriftelijk op de hoogte. Zij geeft u de opnamedag, het opnametijdstip en de operatiedag door. Ook hoort u van haar tot hoe laat u nog mag eten en drinken.

Wanneer u bloedverdunnende medicijnen gebruikt, zal zij namens de uroloog aan u doorgeven wanneer u daarmee stopt. Ook zal zij u vragen om bij opname de medicijnen die u gebruikt, in originele verpakking mee te nemen naar het ziekenhuis. Heeft u hier vragen over, dan kunt u deze stellen aan de planningscoördinator.

Voorbereiding thuis

Ter voorbereiding op uw opname kunt u de patiëntenfolder ‘Opname in Isala’ lezen. Beschikt u niet over internet, dan print de polikliniek Urologie of de regieverpleegkundige Oncologie deze informatie graag voor u.

Opnamedag

U wordt zo mogelijk op de dag van de operatie opgenomen op de verpleegafdeling. De planningscoördinator bespreekt dit met u.

Meldt u zich op de afgesproken tijd bij de centrale balie in de centrale hal van het ziekenhuis. Een gastheer of – vrouw brengt u vervolgens naar de verpleegafdeling. Daar heeft u een gesprek met de verpleegkundige van de afdeling. Aansluitend krijgt u een korte rondleiding. De medicijnen die u gebruikt en meegenomen heeft naar het ziekenhuis, kunt u afgeven aan de verpleegkundige. Zij zal vragen wie als contactpersoon voor u wil optreden.

De verpleegkundige zal u tijdens de opnameperiode zo veel mogelijk begeleiden. Heeft u nog vragen, stel deze dan gerust.

Voorbereiding op de operatie

Voor de operatie is het de bedoeling dat u vanaf 24.00 uur ’s nachts nuchter bent. Als u later op de dag geopereerd wordt, mag u ’s morgens nog een licht ontbijt ( thee en beschuit) gebruiken. Een verpleegkundige of de planningscoördinator zal u hierover informeren. Dagelijks krijgt u een prik (Fraxiparine) om trombose (bloedstolling) te voorkomen. Deze krijgt u tot u weer naar huis gaat.

Operatie

Voor de operatie krijgt u van de verpleegkundige pijnstilling. Dit zorgt ervoor dat u minder pijnklachten heeft na de ingreep. Wanneer u aan de beurt bent voor de operatie, brengt een verpleegkundige u naar de voorbereidingsruimte van de operatieafdeling. Hier ontmoet u de anesthesioloog. U hebt hem of één van zijn collega’s gesproken tijdens het preoperatief onderzoek. In de voorbereidingsruimte helpen ze u op de operatietafel. Daarna wordt u naar de operatiekamer gereden. Hier krijgt u een infuus voor het geven van vocht en medicijnen. Ook wordt hier de narcose of ruggenprik gegeven.

Nadat de anesthesioloog de verdoving heeft toegediend, begint de uroloog met de operatie. Hiervoor ligt u op de rug met uw benen opgetrokken in beensteunen. De operatie verloopt als volgt:

  • De uroloog brengt een hol instrument in de plasbuis tot in de blaas om de blaas te bekijken en de tumor te verwijderen. Ook de andere instrumenten om te opereren brengt hij via dit holle buisje in de blaas.
  • De tumor wordt verwijderd met behulp van een metalen lis waardoor een elektrische stroom loopt. De tumor wordt laag voor laag afgeschraapt tot in het gezonde weefsel. Er ontstaat dus een inwendige wond in de blaas.
  • De blaas wordt voortdurend tot ontplooiing gebracht door een spoelvloeistof in de blaas te brengen. Hierdoor heeft de uroloog goed zicht op de blaaswand.
  • Tussendoor wordt de blaas steeds geleegd waarbij de losgemaakte deeltjes van de tumor mee naar buiten komen. Kleine bloedinkjes worden meestal dichtgeschroeid met het metalen lisje.
  • Na verwijdering van de tumor wordt de blaas nogmaals goed gespoeld. Er wordt een spoelkatheter achtergelaten in de blaas omdat de urine na de operatie meestal bloederig is. Via deze katheter wordt de blaas schoongespoeld. Urine en bloed worden via dezelfde katheter afgevoerd.

Tijdens de operatie kan er gebruik gemaakt worden van hexvix. Hierbij wordt de blaas voor de operatie gespoeld met een kleurstof (hexvix). Deze kleurstof wordt één uur voor de operatie via een katheter in de blaas gebracht door de verpleegkundige van de verpleegafdeling. De gebruikte kleurstof (hex-aminolevulaat) wordt door afwijkend blaasslijmvlies, waaronder kankerweefsel, gemakkelijker opgenomen. Door met blauw licht in de blaas te kijken, kleuren afwijkende delen van de blaas rood op (fluorescentie). Deze afwijkingen zijn soms met gewoon wit licht niet te zien. De uroloog kan op deze manier gebieden met beginnende blaaskanker vroegtijdig opsporen en wegnemen.

 
Afbeelding 3: TURT 
 

Het plaatje laat het instrument zien dat via de plasbuis in de blaas wordt gebracht. Door de camera kan de uroloog duidelijk zien waar de tumor zich bevindt en kan hij met de lis de tumor verwijderen.

Na de operatie wordt u naar de uitslaapkamer gebracht. Hier wordt u aangesloten op een monitor. Op deze manier kan de verpleegkundige uw hartslag, ademhaling en bloeddruk controleren.

Na de operatie

Als alle controles in orde zijn, mag u van de anesthesioloog terug naar de verpleegafdeling. De verpleegkundige van de afdeling haalt u op. Op de afdeling worden de ademhaling, bloeddruk en hartslag ook gecontroleerd. Als u niet misselijk bent, mag u na de operatie weer eten en drinken. Het infuus wordt, afhankelijk van hoe u zich voelt, zo snel mogelijk verwijderd. In overleg met de verpleegkundige kunt u weer uit bed als uw gevoel in de benen weer helemaal aanwezig is. De eerste keer gaat u onder begeleiding van de verpleegkundige uit bed.

Vaak wordt er uit voorzorg binnen 24 uur na de ingreep op de verpleegafdeling een eenmalige spoeling met cytostatica (chemotherapie) gegeven. Dit medicijn heet mitomycine en wordt via de katheter rechtstreeks in de blaas gebracht. U wordt hier niet ziek van; wel kan het een branderig gevoel in de blaas geven. De spoeling moet ongeveer één uur in de blaas blijven. De verpleegkundige op de afdeling zal u hier meer informatie over geven als u hiervoor in aanmerking komt.

De katheter blijft gewoonlijk één a twee dagen in de blaas om te zorgen voor een goede urineafvoer en om de blaas te kunnen spoelen als dit nodig is, bijvoorbeeld als er stolsels aanwezig zijn. De urine zal aanvankelijk vaak roodgekleurd zijn. Om de vorming van stolsels te voorkomen kunt u het best veel drinken.

Wanneer de urine weer helder gekleurd is, kan de katheter worden verwijderd. Meestal is dit één tot twee dagen na de operatie. Als het plassen hierna goed op gang is gekomen, wordt met u besproken wanneer u het ziekenhuis kunt verlaten.

Dagelijks komt de uroloog of zijn assistent bij u langs om te kijken hoe het met u gaat en om eventuele vragen te beantwoorden. De verpleegkundige zal ook dagelijks met u de zorg doornemen. Als u vragen of problemen heeft, geef dit dan gerust aan.

Pijn

De arts heeft met de verpleegkundige besproken welke medicijnen u krijgt tegen de pijn. Blijft u ondanks deze medicijnen pijn houden, geeft u dat dan door aan de verpleegkundige. Zij zal u in overleg met de arts extra of andere medicijnen geven.

Weefselonderzoek

Meestal krijgt de uroloog de uitslag van het weefselonderzoek zeven werkdagen na de operatie. Hij zal deze met u bespreken tijdens het controlebezoek op de polikliniek Urologie. Dan zal ook de verdere behandeling besproken worden.

Weer naar huis

Wanneer het plassen goed op gang is gekomen, mag u weer naar huis. De verpleegkundige zal uw contactpersoon van uw ontslag op de hoogte brengen wanneer u dat zelf niet kunt. De verpleegkundige bespreekt met u hoe laat u naar huis kunt. Daarnaast krijgt u de volgende papieren mee:

  • Een afspraak voor controle op de polikliniek Urologie, gecombineerd met een afspraak bij de regieverpleegkundige Oncologie.
  • Een brief voor uw huisarts.

Leefregels

Na de operatie treden vaak blaaskrampen op en kunt u een schrijnend gevoel hebben in de plasbuis. Het plassen gaat vaak samen met meer aandrang en u zult waarschijnlijk vaker naar het toilet moeten. Dit normaliseert in de loop van de weken. De urine kan soms nog bloederig zijn, maar dit is niet verontrustend. Tot ongeveer zes weken na de operatie kunt u nog bloed verliezen bij het plassen. De volgende adviezen gelden:

  • Drink minimaal anderhalf tot twee liter op een dag om stolsels in de blaas te voorkomen.
  • Verricht niet te veel lichamelijke arbeid kort na de operatie. De wondjes in uw blaas moeten herstellen.
  • Vermijd te veel persen tijdens de ontlasting. Te veel persen kan ervoor zorgen dat de wondjes in de blaas weer gaan bloeden. Veel drinken, vezelrijke voeding en beweging voorkomen dat uw ontlasting hard wordt. Eventueel kan met behulp van bepaalde medicijnen de ontlasting minder hard worden gemaakt.

Neemt u contact op met de polikliniek Urologie wanneer u duidelijk bloedstolsels plast of het bloedverlies niet vermindert. Ook bij koorts boven de 38,5 °C, ernstige brandende pijn tijdens het plassen of wanneer u niet meer kunt plassen, waarschuwt u de behandelend arts van de polikliniek Urologie.

Risico’s en complicaties

Tijdens de operatie kan er een gat in de blaas ontstaan (perforatie). Dit hangt samen met de grootte en plaats van de blaastumor. De spoelvloeistof die tijdens de operatie wordt gebruikt, kan dan buiten de blaas komen, waarna de operatie wordt beëindigd om verdere lekkage te voorkomen. Een klein gaatje in de blaaswand sluit vanzelf als de katheter iets langer in de blaas wordt gelaten, maar bij een grotere perforatie is soms een openbuikoperatie nodig om het weggelekte vocht te verwijderen en het gat te sluiten. Deze complicatie is zeldzaam.

Na de operatie kan een blaasbloeding optreden met mogelijk bloedverlies en stolselvorming tot gevolg. Meestal stopt zo’n bloeding spontaan als er goed gespoeld wordt via de blaaskatheter. Soms is het nodig opnieuw in de blaas te kijken om de bloeding te stoppen. Dit gebeurt dan onder narcose of na een ruggenprik.

Een andere complicatie die na de operatie kan optreden, is een urineweginfectie. Deze kan soms gepaard gaan met koorts. Een urineweginfectie kan goed worden behandeld met antibiotica. Bij mannen is het mogelijk dat er langere tijd na de operatie een vernauwing van de plasbuis ontstaat. Soms is hiervoor een nieuwe operatieve ingreep noodzakelijk.

Controle

Na een TURT is er een risico van zestig tot zeventig procent dat de tumor binnen twee jaar terugkeert. Dit wordt een recidief genoemd. Hoe kwaadaardiger de tumor, hoe groter de kans op een recidief. Het risico op een recidief bepaalt de uroloog aan de hand van onder meer het aantal tumoren, de grootte van de tumoren en de mate van kwaadaardigheid. Op grond hiervan wordt de tumor ingedeeld in een risicogroep.

Er zijn drie risicogroepen:

  • laag risico
  • gemiddeld (intermediair) risico
  • hoog risico.

Gedurende enkele jaren blijft u onder controle bij de uroloog. In deze periode zal er regelmatig in de blaas gekeken worden (cystoscopie) om te zien of er sprake is van een recidief. Als er een recidief optreedt, is er een nieuwe behandeling nodig en mogelijk.

Om de kans op een recidief te verkleinen is soms een aanvullende behandeling nodig. Dit is afhankelijk van de risicogroep waarin de tumor is ingedeeld.

Laag risico

Een nabehandeling is in deze groep niet nodig. Natuurlijk staat u wel onder controle en wordt er op gezette tijden een cystoscopie gedaan. Ook wordt er vaak uit voorzorg binnen 24 uur na de ingreep op de verpleegafdeling een eenmalige spoeling met cytostatica (chemotherapie) gegeven. Dit medicijn heet mitomycine en wordt via de katheter rechtstreeks in de blaas gebracht. U wordt hier niet ziek van; wel kan het een branderig gevoel in de blaas geven. De spoeling moet ongeveer één uur in de blaas blijven. De verpleegkundige op de afdeling zal u hier meer informatie over geven als u voor deze behandeling in aanmerking komt.

Gemiddeld risico

Een nabehandeling in deze groep bestaat uit het toedienen van spoelingen met cytostatica (mitomycine). De spoelingen worden gegeven door de verpleegkundige van de polikliniek Urologie. Na het toedienen mag u weer naar huis. In de bijlage ‘Blaasspoelingen met mitomycine’ vindt u meer informatie over deze nabehandeling. U ontvangt de bijlage als u voor deze spoelingen in aanmerking komt.

Hoog risico

In deze groep vallen ook de CIS-vormen (carcinoma in situ). Een nabehandeling voor deze patiëntengroep bestaat uit het toedienen van blaasspoelingen met het middel BCG. BCG is een vaccin tegen tuberculose, dat ook werkzaam blijkt bij blaaskanker. De spoelingen worden gegeven door de verpleegkundige van de polikliniek Urologie. Na toediening mag u weer naar huis.

In de bijlage ‘Blaasspoelingen met BCG’ vindt u meer informatie over deze behandeling. U ontvangt de bijlage als u voor deze behandeling in aanmerking komt. Als tijdens de controleperiode blijkt dat de spoeling niet voldoende effect heeft, kan de uroloog besluiten om op een andere spoeling over te gaan. Dit gebeurt ook als u te veel klachten ervaart van de spoelingen.

Vervolgbehandelingen

De keuze van een eventuele verdere behandeling hangt af van het type en de uitgebreidheid van de tumor, uw lichamelijke gesteldheid, leeftijd en eigen voorkeur. De uroloog zal de behandeling die hij adviseert, met u doornemen. U krijgt deze informatie ook schriftelijk als onderdeel van dit PID.

Een behandeling kan preventief, curatief of palliatief zijn.

  • Een preventieve behandeling wordt gegeven om te voorkomen dat de ziekte terugkomt.
  • Een behandeling die gericht is op genezing, wordt een curatieve behandeling genoemd. De ziekte is dan beperkt gebleven tot de blaas. Een curatieve behandeling kan ook een combinatie van behandelingen zijn.
  • Blaaskanker is niet altijd te genezen. Afhankelijk van uw klachten en uw situatie kan er toch een behandeling mogelijk zijn. Een dergelijke behandeling noemt men een palliatieve behandeling. Een palliatieve behandeling is erop gericht om de klachten te verminderen en de ziekte af te remmen.

Preventieve behandeling

Bij oppervlakkige blaastumoren kan een behandeling met blaasspoelingen gegeven worden. Dit houdt in dat via een katheter medicijnen in de blaas gebracht worden. Het wel of niet geven van deze blaasspoeling hangt af van de uitslag van het weefselonderzoek.

Curatieve behandelingen

  • Operatieve verwijdering van de blaas; bij spierinvasieve blaastumoren heeft een operatie waarbij de blaas wordt verwijderd als behandeling meestal de voorkeur. Er wordt dan een urinestoma aangelegd of een nieuwe blaas gemaakt van een stuk darm.
  • Partiële (gedeeltelijke) verwijdering van de blaas; bij uitzondering wordt niet de gehele blaas, maar een gedeelte van de blaas verwijderd.
  • Chemotherapie; dit is een behandeling met medicijnen die ingrijpen op het ontwikkelingsproces van de kankercellen en zo de celdeling remmen. In enkele gevallen is het advies om chemotherapie voorafgaand aan een operatieve verwijdering van de blaas te geven.
  • Radiotherapie; dit is de behandeling van kanker door middel van bestraling. Deze straling beschadigt het erfelijke materiaal van een cel, waardoor deze zich niet meer kan delen en uiteindelijk doodgaat. Als een operatie waarbij de blaas wordt verwijderd, niet wenselijk of mogelijk is, kan deze curatieve behandeling worden toegepast op voorwaarde dat er geen uitzaaiingen zijn. De bestralingsperiode wordt met u besproken door de radiotherapeut.

Palliatieve behandelingen

  • Chemotherapie; dit is een behandeling met medicijnen die ingrijpen op het ontwikkelingsproces van de kankercellen en zo de celdeling remmen. Als er uitzaaiingen zijn, kunnen deze door middel van chemotherapie kleiner worden en wordt het ziekteproces geremd.
  • Radiotherapie (bestraling); deze behandeling kan gegeven worden op de blaas om ernstige symptomen (bloedingen, pijn in de blaas) te verlichten. Ook kan er bestraald worden op uitzaaiingen wanneer deze klachten geven.

Controle tijdens/na behandeling

Tijdens en na uw behandeling blijft u onder controle van uw behandelend arts. Het aantal controles is afhankelijk van de behandeling. Het controleschema dat voor u geldt, zal met u worden besproken. Het kan zijn dat vooraf aan een controlebezoek onderzoek nodig is (bloedprikken of een röntgenfoto). Ook zal regelmatig de blaas worden onderzocht (cystoscopie).

Tijdens de controlebezoeken zal vooral besproken worden hoe het met u gaat en of u klachten heeft. Zijn er vragen, stel deze dan gerust. U kunt worden gecontroleerd door de uroloog, de radiotherapeut en de internist-oncoloog. Aansluitend op de controle bij uw medisch specialist, kunt u ook een afspraak krijgen met de regieverpleegkundige Oncologie.

Afhankelijk van uw behandeling is de volgende informatie voor u interessant:

  • Blaasspoelingen
  • Blaasspoelingen met mitomycine
  • Blaasspoelingen met BCG
  • Radiotherapie
  • Chemotherapie
  • Operatie: Het verwijderen van de blaas en het maken van een nieuwe
  • Operatie: Het verwijderen van de blaas en aanleggen van een urinestoma.

2 april 2015 6629 Nee Ja

Stuur door

Door onderstaande invulvelden in te vullen, stuurt u deze informatie gemakkelijk door.
Aan emailadres*
   
Uw naam Uw emailadres*
   
Bericht