ISALA

Over de afdeling

​Je bent vast wel eens eerder in een ziekenhuis geweest. Op visite bij iemand of misschien heb je zelf al eens in een ziekenhuisbed gelegen. Als je ergens last van hebt, ga je altijd eerst naar je huisarts toe. Vaak kan die je helpen door je een medicijn te geven of je dingen uit te leggen. Soms kan een huisarts jou niet goed genoeg helpen en vraagt hij de hulp van een arts die meer weet over de ziekte die jij hebt. Deze artsen werken meestal in het ziekenhuis. De huisarts verwijst jou door en je ouders kunnen dan een afspraak maken in het ziekenhuis bij een van deze artsen.

  

 


Hoe ziet de kinderafdeling eruit?

Welkom op de kinderafdeling van Isala! De kinderafdeling is er speciaal voor alle kinderen. Er zijn artsen, verpleegkundigen en andere mensen die goed voor jou zorgen. 

 

Opnamedag

Op de dag dat je naar het ziekenhuis in Zwolle komt, meld je je bij de centrale balie in de Centrale hal. Dat is de hal waar je met de draaideuren binnenkomt. Een gastheer- of vrouw, te herkennen aan een groene blouse, komt je ophalen bij de balie en brengt je naar de kinderafdeling. Deze is op de derde verdieping (V.4.3). Ook als je naar het ziekenhuis in Meppel gaat kun je je melden bij de centrale balie.

De kamers

In het ziekenhuis heb je kamers met één of meer bedden. Op welke kamer je komt te liggen, bekijken we als je hier bent. Dit hangt af van je klachten en hoe druk het is. Naast je bed staat een nachtkastje op de kamer. Ook is er een kast waar je je kleren in kunt leggen. Boven je bed hangt een televisie, aan de verpleegkundige kun je een koptelefoon vragen. Kaartjes, briefjes, foto’s en tekeningen kun je achter je bed hangen. Daarnaast kun je gebruik maken van de badkamer met een wc, douche en spiegel.


De bedden

De bedden in het ziekenhuis zien er anders uit dan jouw eigen bed. We hebben kleine en grote bedden. De kleine bedjes hebben hekken om te zorgen dat kleine kinderen er niet uit kunnen vallen. Van de grote bedden kunnen de rugleuning en het voeteneinde omhoog worden gedaan met een afstandsbediening. Verder hebben alle bedden in het ziekenhuis wielen. Hierdoor kan de verpleegkundige je naar een andere kamer rijden. Voor papa en mama hebben we een slaapbank, zodat zij bij jou kunnen slapen.


Wie werken er?

Op de kinderafdeling van Isala werken verschillende mensen. Iedereen is ergens goed in en zo kunnen zij jou samen de allerbeste zorg geven. Dit zijn ze:

  • Afdelingssecretaresse
    De secretaresse ontmoet je als eerste op de afdeling. Zij zit aan de balie, maakt jouw papieren in orde, maakt afspraken en neemt de telefoon op.
  • Anesthesioloog
    Een anesthesioloog noemen wij ook wel de ‘slaapdokter’. Deze dokter maakt je in slaap voor een operatie of onderzoek en zal in de tijd dat jij slaapt goed op jou passen.
  • Arts-assistenten
    Een arts-assistent is een basisarts die bijvoorbeeld kinderarts wilt worden. De kinderarts helpt de arts-assistent als hij/zij vragen heeft. Je kunt op de afdeling behandelt worden door een arts-assistent.
  • Coassistent
    Een coassistent studeert geneeskunde en is bijna klaar met de opleiding. Zij zijn in het ziekenhuis om ervaring op te doen en zullen jou dan misschien ook gaan controleren.
  • Diëtist
    Een diëtist weet alles over eten en kan jou goed vertellen wat je wel en niet mag eten. Dit omdat je misschien wel een speciaal dieet moet volgen of omdat je er allergisch voor bent.
  • Kinderarts
    Een kinderarts behandelt jouw ziekte en voert onderzoek uit. De kinderarts vraagt regelmatig aan jou hoe het gaat en kan je vertellen welke medicijnen je moet innemen en wanneer je weer naar huis kunt.
  • Kinderfysiotherapeuten
    De fysiotherapeut weet veel op het gebied van bewegen van kinderen. De kinderfysiotherapeut kan jou helpen wanneer jij bijvoorbeeld met je voeten naar binnenloopt, je vaak valt of je pijn hebt bij rennen of sporten.
  • Kinderverpleegkundigen
    De verpleegkundige zie je het vaakst als je in het ziekenhuis bent. De verpleegkundige komt veel verschillende dingen bij je doen. Zij verschoont je bed, doet een aantal controles (zoals bijvoorbeeld je bloeddruk meten), geeft je medicijnen en je kunt alles aan de verpleegkundige vragen. Je vader en moeder mogen de verpleegkundige helpen bij het verzorgen van jou.
  • Verpleegkundig specialist
    Een verpleegkundig specialist voert naast de taken van een kinderverpleegkundige nog extra taken uit. Zo neemt de verpleegkundig specialist bijvoorbeeld taken van de kinderarts of specialist over. Denk hierbij aan het verrichten van onderzoek of het in kaart brengen waar jij last van hebt.
  • Logopedisten
    Een logopedist helpt jou als je stem-, spraak-, taal of slikproblemen hebt. Als je moeilijk kunt eten of praten, geeft de logopedist jou tips.
  • Pedagogisch medewerkers
    Een pedagogisch medewerker helpt jou tijdens een ziekenhuisopname. Zij vertellen je alles over je operatie of onderzoek en leiden je af wanneer je bijvoorbeeld een prikje krijgt. Ook gaan ze leuke dingen met jou doen in de speelkamer of soms aan je bed.
  • Schoonmaker
    Een schoonmaker zorgt ervoor dat het ziekenhuis en jouw kamer netjes en schoon blijven.
  • Service-assistent
    Een service-assistent regelt dat jij eten en drinken krijgt in het ziekenhuis.
  • Zaalarts
    Een zaalarts loopt elke dag een ronde op de verpleegafdeling. De zaalarts controleert jou en wanneer je vragen hebt kan je deze aan de zaalarts stellen.
  • Ziekenhuisonderwijzer
    Voor kinderen die lang in het ziekenhuis moeten blijven, komt er een juf of meester naar het ziekenhuis. 

Wat kan je er doen?

Als je naar het ziekenhuis komt, is dat best spannend. Wij hebben daarom ook leuke dingen in het ziekenhuis voor je. Lees hieronder wat je allemaal kunt doen.

Speelkamer

Spelen is altijd leuk, ook als je in het ziekenhuis bent. Wij hebben een speciale speelkamer op de afdeling waar je onder andere spelletjes kunt spelen. Onder toezicht van of je papa of mama mag je hier spelen. De speelkamer is open:
- Op maandag tot en met vrijdag van 9:15 tot 11.30 uur en van 14.15 tot 16.30 uur.
- In het weekend van 9.30 uur tot 11.30 uur.

  • Isala Zwolle
 
  • Isala Diaconessenhuis Meppel
 
 
 

Snoezelkamer

De kinderafdeling heeft ook een snoezelkamer. Dat is een sfeervol verlichte ruimte waar zachte muziek wordt gespeeld. Er zijn allemaal verschillende materialen aanwezig die je zintuigen (horen, ruiken, voelen en zien) prikkelen. Je kunt je hier even lekker ontspannen en een beetje vergeten dat je in het ziekenhuis bent. Als je zenuwachtig of gespannen bent, kan de zachte muziek je misschien wat rustiger maken. Je mag alleen naar de snoezelkamer, maar dat mag natuurlijk ook samen met je papa of mama.

CliniClowns

Als je in het ziekenhuis ligt, is het fijn om soms even te kunnen lachen, zingen, spelen en gek te doen. Hiervoor zijn de CliniClowns! Eén keer in de week komen ze naar de kinderafdeling van Isala toe om jou aan het lachen te maken.

 

Regenboogboom

Elke eerste dinsdag van de maand komt de Regenboogboom naar de kinderafdeling van Isala. De spelers van de Regenboogboom zingen liedjes en vertellen verhaaltjes aan alle kinderen in het ziekenhuis. Lees meer over de Regenboogboom: www.regenboogboom.nl.

Tv, iPad en spelcomputer

In het ziekenhuis zijn iPads en spelcomputers. Je mag je eigen spellen meenemen!

TIK, Theater in Kinderhuizen

Drie keer in het jaar komen er poppenspelers van Stichting TIK op de kinderafdeling van Isala. Stichting TIK maakt en speelt speciale voorstellingen voor alle kinderen in ziekenhuizen in heel Nederland. www.stichtingtik.nl

School

Kinderen die al op de basisschool zitten en lang in het ziekenhuis moeten blijven, kunnen in Isala les krijgen. Als je op de middelbare school zit, kun je gebruik maken van huiswerkbegeleiding. Hiervoor komt een lerares langs. De lessen zijn op verschillende tijden. De lerares maakt een week van tevoren een afspraak met je. In overleg met je ouders en de verpleegkundige kan er gekeken worden of jij in het ziekenhuis les kunt krijgen.


Wat neem je mee?

Als je opgenomen wordt in het ziekenhuis, blijf je één of meerdere nachtjes slapen. Om niets te vergeten hebben wij een lijstje voor je gemaakt.

Wat neem je mee?

  • Pyjama;
  • Sloffen en schoenen;
  • Tandenborstel en tandpasta;
  • Kam of borstel;
  • Shampoo;
  • Ondergoed;
  • Kleren voor overdag;
  • Knuffel, speelgoed (neem niet teveel mee, op de afdeling hebben wij heel veel speelgoed waar je mee kunt spelen);
  • Eigen drinkfles;
  • Je mobiel, tablet of laptop. Het ziekenhuis heeft gratis Wi-Fi;
  • Eventueel medicijnen als je die thuis gebruikt.

Dokterstaal

In het ziekenhuis worden vaak moeilijke woorden gebruikt. Wij leggen de woorden graag voor je uit. Leer je mee? 


A

Acuut – als iets plotseling gebeurt. Je hebt ineens pijn of je voelt je plotseling ziek.
Ader – buisjes in je lichaam waar bloed doorheen stroomt, naar je hart toe. Je hebt er heel veel in je lichaam. Kijk maar eens naar de bovenkant van je hand, daar kun je je aders goed zien.
Afdeling – een ziekenhuis heeft veel verschillende afdelingen. Elke afdeling verzorgt een bepaald onderdeel van je lichaam of een bepaalde ziekte. Zo heb je bijvoorbeeld de longafdeling (onderdeel lichaam) of het Diabetescentrum (ziekte). Voor kinderen is er één afdeling voor alle onderdelen van het lichaam en voor alle ziektes; de afdeling Kindergeneeskunde.
Allergisch – betekent dat je ergens niet goed tegen kunt. Je kunt jeukende bultjes krijgen, moeten overgeven of het benauwd krijgen. Je kan allergisch zijn voor dingen die je kunt eten of drinken (bijvoorbeeld melk) of dingen die je kunt inademen (bijvoorbeeld stof). Sommige kinderen zijn allergisch voor een bepaald medicijn.
Amandelen – zijn knobbeltjes in je keel, zij verdedigen jou als het ware tegen vreemde stoffen van buitenaf. Als je amandelen vaak ontstoken zijn, dan moeten ze in het ziekenhuis weggehaald worden.
Anamnese – een vraaggesprek met de arts waarin jij kunt vertellen waar je last van hebt. Hoe lang je er al last van hebt, hoe het is begonnen, hoe je je nu voelt. De arts zal je daar een heleboel vragen over stellen.
Anesthesie – noemen wij ook wel narcose. Je krijgt medicijnen zodat je lekker gaat slapen en niks voelt van de operatie of het onderzoek.
Arts - een ander woord voor dokter. Een arts is de hele dag bezig om mensen beter te maken. Je hebt veel verschillende artsen. Jij zal geholpen worden door Kinderartsen of artsen die opgeleid worden om straks ook kinderarts te zijn.

B

Bacteriën – zijn piepklein en kun je niet met het blote oog zien. Alleen onder de microscoop zijn bacteriën zichtbaar. Bacteriën leven overal, buiten en binnen. Van sommige bacteriën kun je ziek worden.
Behandeling – wanneer je in het ziekenhuis verzorgd wordt door een verpleegkundige of een arts noemen we dat een behandeling.
Bijsluiter – wanneer je medicijnen krijgt, zit daar altijd een papiertje bij. Op dit papiertje staat waar het medicijn voor is, wanneer je het moet innemen en wat eventuele reacties van je lichaam op het medicijn kunnen zijn (bijwerkingen). Dit papiertje noemen we de bijsluiter.
Bloed – jij hebt vast wel eens bloed gezien. Als je valt of een wondje openkrabt komt er rode vloeistof uit. Dit is bloed. Je hart pompt de hele dag bloed in je lichaam rond.
Bloedgroep – er bestaan meerdere soorten bloed. Dat noemen we bloedgroepen. Het is goed om te weten welke bloedgroep je hebt. Stel je hebt extra bloed nodig dan mag je alleen bloed krijgen dat goed voor je is. Bekende bloedgroepen zijn: A, B, O en AB. Elke bloedgroep kan + of – zijn.
Bloedprikken – bij bloedprikken wordt er met een dun naaldje een beetje bloed uit je arm gehaald. Dat bloed wordt opgevangen in een buisje en kunnen wij onderzoeken.
Botten – een skelet bestaat uit botten. Ze zijn erg hard en daarom kan je ze goed voelen. Als volwassen mens heb je 206 botten in je lichaam!

C

Chirurg – een arts die mensen opereert. Niet elke arts mag opereren, daar moet je een speciale opleiding voor hebben gevolgd.
Chronisch – een ziekte die lang duurt en nooit helemaal weggaat.
Complicatie – kan onverwachts ontstaan na een operatie of onderzoek. Van een complicatie kun je pijn of last hebben. Een voorbeeld van een complicatie kan een nabloeding zijn; een bloeding na een operatie of ingreep.
Couveuse – een klein bedje waar je als baby inligt wanneer je te vroeg geboren bent.
CT-scan – met een CT-scan maken we foto’s van de binnenkant van je lichaam. Zo kan de arts beter zien hoe je lichaam er van binnen uitziet. Voor de scan lig je op een soort tafel en word je langzaam in een tunnel geschoven waar je een tijdje stil in moet liggen.

D

Dagbehandeling – als je naar het ziekenhuis moet, hoef je niet altijd te blijven slapen. Soms mag je dezelfde dag weer naar huis. Dit noemen we een dagbehandeling.
Diabetes – suikerziekte, een ziekte waarbij je teveel suiker in je bloed hebt.
Diagnose – wanneer de arts weet om welke ziekte het bij jou gaat, krijgen jouw klachten eigenlijk een naam, dat noemen we een diagnose.

E

ECG – een hartfilmpje. Er komen plakkers op je borst waarvan de draadjes naar een monitor leiden. Hierop is te zien hoe jouw hart werkt. Je voelt niks van een hartfilmpje.
EEG – een onderzoek van je hersenen. Hierbij komen er plakkers op je hoofd waarvan de draadjes naar een monitor leiden. Op de monitor is te zien hoe jouw hersenen werken. Je voelt niks van dit onderzoek.

F

Fysiotherapie – oefeningen om je beter te leren bewegen. Soms kunnen massages ook helpen om beter te kunnen ontspannen.

G

Gewrichten – een verbinding tussen twee botten waardoor je je lichaam kunt bewegen. Een voorbeeld zijn je knieën of je ellebogen.
Gipskamer – in de gipskamer wordt je arm of been in het gips gezet.

H

Hart – de motor van je lichaam. Pompt de hele dag bloed door je lichaam zonder dat je het zelf merkt of er iets voor hoeft te doen.
Hechten – wanneer je gevallen bent en een wond hebt die maar niet stopt met bloeden, wordt het gehecht. De randen van de wond worden met garen, nietjes of lijm aan elkaar vastgemaakt.
Hersenen – zitten in je hoofd en zorgen ervoor dat je kunt bewegen, denken en voelen.
Herstelperiode – is de periode na een behandeling of operatie waarin je opknapt.

I

Infuus – het geven van vloeistof door een slangetje naar een buisje in een ader in je hand of arm.
Ingreep – is een handeling die een arts uitvoert om een probleem te voorkomen of op te lossen.
Isolatie – soms kun je zieker worden van andere mensen, omdat ze bacteriën bij zich hebben waar je in je zieke periode extra gevoelig voor bent, dan mag je naar een aparte kamer. Dit noemen we isolatie.

J

Jodium – is een roodbruine vloeistof waarmee een wond schoongemaakt wordt.

K

Kijkoperatie – hierbij kijkt de chirurg met een kleine camera in bijvoorbeeld je knie of buik. Via een monitor kan de chirurg de beelden van de camera zien en zo in je lichaam kijken.
Koorts – wanneer je lichaam boven de 38°C is, noemen we dat koorts.

L

Laboratorium – hier worden bloed, plas, poep of andere stoffen uit het lichaam van mensen onderzocht.
Lichaamstemperatuur – de temperatuur binnenin je lichaam. Als deze te hoog is noemen we dat koorts (zie koorts).
Litteken – zichtbare plek van een wond die genezen is.

M

Medicijnen – pillen, drankjes, spuiten, die je helpen om je beter te laten voelen of worden.
Mondkapje – wanneer de lucht in een ruimte schoon moet blijven, moet je een mondkapje voor doen. Dit moet bijvoorbeeld in de operatiekamer.
MRI-scan – met een MRI-scan worden foto’s gemaakt van de binnenkant van je lichaam. Je moet tijdens deze scan heel stil liggen.
Monitor – een apparaat waar je met draadjes op wordt aangesloten. Op de monitor kunnen de arts en verpleegkundige bijvoorbeeld zien hoe snel je hart slaat, hoe vaak je ademhaalt of hoeveel zuurstof er in je bloed zit.

N

Naambandje – is een bandje dat je om krijgt als je in het ziekenhuis bent. Op deze armband staat je naam en geboortedatum. Zo weet iedereen wie jij bent.
Neonatologie – op deze afdeling liggen pasgeboren kinderen die ziek of te vroeg geboren zijn.
Nuchter – betekent dat je voor een operatie of onderzoek niks mag eten en drinken.

O

Ontslag – als je weer naar huis kunt, noemen we dat ontslag.
Operatie – de chirurg (de arts die mag opereren) maakt bij een operatie een sneetje in je lichaam om iets te maken of weg te halen. Zo kan jij weer beter worden. Een operatie gebeurt altijd onder narcose, zodat jij er niks van voelt.
Operatiekamer (OK) – is een speciale ruimte waar de chirurgen opereren.
Opname – als je opgenomen wordt in het ziekenhuis dan noemen we dat een opname. Je blijft dan logeren in het ziekenhuis voor één of meer nachtjes.

P

Pijnstiller – is een medicijn dat je pijn vermindert of wegneemt.
Prognose – de arts vertelt van tevoren hoe hij/zij denkt dat je ziekte en genezing gaan verlopen.

R

Ribben – botjes in je borst.
Rooming-in – room betekent in het Engels kamer. Rooming In betekent dat je vader of moeder bij jou op de kamer in het ziekenhuis kan blijven slapen.

S

Specialist – een arts die veel weet van een bepaald onderwerp. Bijvoorbeeld een oogarts, die veel weet over ogen. Een specialist die veel weet over kinderen noemen we een kinderarts.
Speelkamer – is een gezellige en fijne kamer waar je lekker kunt spelen.
Steriel – betekent vrij van bacteriën. Naalden en de operatiekamer moeten bijvoorbeeld helemaal steriel zijn.
Stethoscoop – hiermee luistert de arts naar je hart, longen en buik.

T

Thermometer – hiermee kan je lichaamstemperatuur worden gemeten.

U

Uitslaapkamer (recovery) – is de kamer waar je na de operatie wakker wordt. Je vader of moeder zit dan alweer naast jou.

Verdoving – minder gevoelig of gevoelloos maken van je lichaam of een deel van je lichaam. Zo heb je minder of geen pijn tijdens een onderzoek of operatie.

W

Witte bloedlichaampjes – in je lichaam zitten witte en rode bloedlichaampjes. De witte bloedlichaampjes vernietigen beestjes die je gezondheid in gevaar kunnen brengen, zoals bacteriën. 

Z

Ziekenhuis – gebouw waar elke dag en nacht zieke mensen verzorgd worden door artsen en verpleegkundigen.
Ziekte – wanneer iets in je lichaam niet goed werkt noemen we dit een ziekte.
Zintuigen – hulpmiddelen waarmee je de omgeving kunt ontdekken. Je hebt vijf zintuigen: zien, ruiken, voelen, horen en proeven. Denk maar eens na hoeveel jij met deze zintuigen kan doen!


Alvast een kijkje nemen

Misschien heb je het ziekenhuis al wel eens van buiten gezien, of zelfs van binnen. Anna is laatst voor een operatie op de kinderafdeling in Zwolle geweest. Daan is laatst geopereerd in het Behandelcentrum in Zwolle. En Lotte heeft een operatie ondergaan in het ziekenhuis in Meppel. Zij laten jou graag zien hoe het ziekenhuis eruit ziet en hoe een operatie gaat.

Kijk je mee?

Isala Diaconessenhuis Meppel

 

 
 

Bekijk hier (kopje fotoalbums) het fotoalbum van Anna, die laatst voor een operatie op de kinderafdeling in Zwolle is geweest.

 

Isala Zwolle Behandelcentrum 

 

  • Dit zijn Daan en zijn moeder. Daan komt vandaag voor een operatie naar het Behandelcentrum in Isala.
  • Daan vertelt bij de balie hoe hij heet en wanneer hij geboren is.
  • De verpleegkundige komt Daan en zijn moeder ophalen uit de
wachtruimte.
  • De verpleegkundige laat Daan en zijn moeder de afdeling zien. Daan moet nuchter blijven voor de operatie. Dit betekent dat hij tot 6 uur voor de opnametijd niet meer mag eten en tot 2 uur voor de opnametijd alleen nog heldere dranken.
  • De verpleegkundige brengt Daan naar zijn kamer. Er zijn kamers met 1 bed en kamers met 4 bedden. Er is een bed waar Daans naam op staat en een kastje waar hij zijn spullen in mag leggen.
  • De verpleegkundige heeft een opnamegesprek met Daan en
zijn moeder en legt uit wat Daan kan verwachten.
  • Daan krijgt een armbandje om met zijn naam en geboortedatum.
  • De verpleegkundige meet de temperatuur van Daan in zijn oor.
  • Daan krijgt uitleg over de operatiedag en het slapen met een kapje of prikje.
  • Als Daan wil mag hij zelf of zijn knuffel ook even oefenen met het kapje.
  • In de speelkamer kan Daan spelen tot hij aan de beurt is.
  • De verpleegkundige wordt gebeld als Daan zich om mag kleden om naar de operatiekamer te gaan.
  • Daan gaat nog even plassen en trekt daarna een jasje en onderbroek van het ziekenhuis aan. Voor de operatie mogen geen sieraden, nagellak of make-up worden gedragen. Lange haren gaan in een staart of vlecht.
  • Voor de operatie krijgt Daan pijnstillers. Dit kunnen zetpillen of tabletten zijn. Daan krijgt uitleg over hoe pijn wordt gemeten met een cijfer.
  • Daan is aan de beurt voor de operatie, mama gaat mee met Daan. Er mag een ouder of begeleider mee naar de operatiekamer. Hij/zij mag geen handsieraden dragen en de mobiele telefoon is op stil gezet.
  • Via een sluis kom je in de holding. Dit is de laatste wachtruimte voor de operatiekamer.
  • Mama en de verpleegkundige trekken in de holding een overall over hun kleren aan en doen een muts op, zodat het schoon blijft
op de operatiekamer.
  • Meerdere keren vragen medewerkers aan Daan zijn naam, geboortedatum en voor welke operatie hij komt. Dit is een extra
veiligheidscontrole.
  • Daan mag overstappen op het operatiebed waarop hij naar de
operatiekamer wordt gereden. Zijn knuffel mag mee.
  • Daan wordt door de operatiegang gereden door de anesthesiemedewerker. Mama loopt mee.
  • Daan wordt welkom geheten door het operatieteam. Samen controleren zij nogmaals alle gegevens met Daan en zijn moeder. Er is dan gelegenheid om eventuele vragen te stellen aan de dokter.
  • Daan wordt aangesloten aan de monitor. Aan Daans vinger komt een metertje dat het zuurstofgehalte meet. Op zijn borst worden 3 stickers geplakt om de hartslag te meten. Om zijn arm komt een bloeddrukband.
  • Daan gaat nu bijna slapen. Mama is bij hem en is er ook als Daan wakker wordt na de operatie op de uitslaapkamer.
  • Daan krijgt een kapje over zijn mond en neus. Uit het kapje komt een slaapmiddel. Het slaapmiddel ruikt een beetje raar. Als Daan door zijn mond ademt, heeft hij hier minder last van.
  • Daan probeert om aan iets leuks te denken en valt in slaap.
  • Zolang Daan in de operatiekamer is, wachten zijn ouders op zijn kamer of in de wachtruimte. Als de operatie afgelopen is, worden zij gebeld door de verpleegkundige en mag een van de ouders naar de uitslaapkamer komen.
  • Daan krijgt verdovende zalf op zijn hand, zo voelt hij straks minder van het prikje.
  • De verpleegkundige plakt een doorzichtige pleister op Daans hand. Als de zalf goed is ingewerkt, wordt op de operatiekamer de
pleister en de zalf er weer afgehaald, voordat het prikje wordt gegeven.
  • Daan krijgt een strakke band om zijn bovenarm zodat zijn bloedvaten beter zichtbaar worden. Daarna krijgt hij het prikje, maar voelt dit nauwelijks doordat de huid nu goed verdoofd is.
  • De dokter verwijdert de naald en laat een dun plastic buisje achter in de hand van Daan. Dit wordt afgeplakt met een pleister en het infuus wordt aangesloten.
  • Via een spuitje gaan de medicijnen en het narcosemiddel door het infuus in Daans arm. Hij probeert zich te ontspannen door aan leuke dingen te denken.
  • Daan krijgt nog een kapje zuurstof op zijn neus en mond en valt snel in slaap.
  • Zolang Daan in de operatiekamer is, wachten zijn ouders op zijn kamer of in de wachtruimte. Als de operatie afgelopen is, worden zij gebeld door de verpleegkundige en mag een van de ouders naar de uitslaapkamer komen.
  • Daan wordt wakker op de uitslaapkamer, de operatie is klaar
en mama zit naast hem. De monitor is nog aangesloten. In Daans hand zit een infuus voor vocht en medicijnen.
  • Na de operatie kan Daan misselijk zijn. De verpleegkundige kan hem zonodig medicijnen geven tegen pijn en misselijkheid.
  • Als alle controles goed zijn, komt de verpleegkundige Daan ophalen om terug naar de afdeling te gaan.
  • Terug op de kamer mag Daan weer drinken en later ook eten.
  • Als Daan gaat plassen loopt mama of de verpleegkundige mee, want hij kan nog wat draaierig zijn van de narcose.
  • Als Daan gegeten en gedronken heeft en het goed met hem gaat, haalt de verpleegkundige het infuus uit zijn hand en plakt er een pleister op.
  • De dokter spreekt met de verpleegkundige af wanneer Daan naar huis mag. Hij heeft een dapperheidsdiploma verdiend!
  • De dag in het ziekenhuis is voorbij. Daan gaat naar huis! Als je een nachtje moet blijven in het ziekenhuis, wordt je overgebracht naar de kinderafdeling van Isala. Hier mag ook een ouder blijven slapen.