Verloskundigen en centralisten leren elkaars taal

De meeste thuisbevallingen verlopen gelukkig probleemloos, maar er zijn uitzonderingen. Als zich een ernstige complicatie voordoet, moet de verloskundige in allerijl hulpdiensten optrommelen. Die communicatie tussen verloskundige en meldkamer verloopt niet altijd even gestructureerd. Dat kan anders én vooral beter, oordeelde de focusgroep Acute Obstetrie van het Regionaal Overleg Acute Zorg Zwolle (ROAZ). Om de overdracht te verbeteren, is een heldere richtlijn ontwikkeld: De MIST. ‘De eenvoud straalt ervan af.’

Dat de communicatie tussen verloskundige en centralist van de meldkamer niet altijd vlekkeloos verloopt, heeft verschillende oorzaken. ‘Ten eerste komen ernstige complicaties tijdens een thuisbevalling niet heel vaak voor. Daardoor was dit thema lange tijd een ondergeschoven kindje’, verklaart Ben Goosselink, verpleegkundig specialist Acute Zorg bij RAV IJsselland en lid van de focusgroep Acute Obstetrie. Ook de complexiteit van de situatie speelt een rol. ‘Als er iets misgaat tijdens een thuisbevalling heb je te maken met twee patiënten: moeder en kind. Voor centralisten is dat natuurlijk een bijzondere hulpvraag’, verklaart Erik de Leeuw, operationeel leidinggevende van de meldkamer Oost Nederland.

Elke seconde telt
Omdat verloskundigen en centralisten niet altijd elkaars taal spreken, bestaat het risico dat hulpvraag niet juist wordt ingeschat. Dat kan ertoe leiden dat de ambulance (te) laat arriveert of dat er slechts één ambulance wordt ingezet terwijl er eigenlijk twee nodig zijn. ‘In een acute situatie telt elke seconde, zowel voor de moeder als voor het kind’, stelt De Leeuw. ‘Een goede overdracht heeft daarom de hoogste prioriteit.’

Dit laatste wordt bevestigd door de Zwolse focusgroep Acute Obstetrie. Deze focusgroep ontdekte dat er geen vaste afspraken bestaan over de overdracht van verloskundigen aan de meldkamer. Om het tij te keren, heeft de focusgroep een nieuwe richtlijn opgesteld: De MIST (zie kader). Deze methodiek, gebaseerd op het gelijknamige landelijke protocol voor traumaslachtoffers, beoogt een vlotte en gestructureerde overdracht van relevante informatie.

A1 of A2
Hoe werkt De MIST-richtlijn precies? In geval van een acute situatie neemt de verloskundige contact op met de betreffende meldkamer. Vervolgens geeft de verloskundige aan hoe snel de ambulance gewenst is: binnen 15 minuten ofwel binnen 30 minuten. ‘De centralist plakt daar het etiket A1 of A2 op. Dit zijn meldkamertermen en daar hoeft een verloskundige niet over na te denken’, licht De Leeuw toe.

De volgende stap is het doorgeven van de demografische gegevens van de patiënt, zoals naam, geboortedatum en adres. Dat deze informatie eerder wordt doorgegeven dan de aard en ernst van de complicatie is geen toeval. ‘Zodra die gegevens bekend zijn, kan de centralist de ambulance al op weg sturen en gaat er geen tijd verloren.’ Er is nog een tweede reden. Want mocht de telefoonverbinding om wat voor reden wegvallen, dan weet de ambulancechauffeur in ieder geval wat het adres is.

Na het doorgeven van deze demografische informatie benoemt de verloskundige de eigenlijke hulpvraag. Oftewel: hoe gaat het met de moeder, haar (ongeboren) kind, wat zijn de waarden en bevindingen en is er al een behandeling gestart? Volgens Goosselink moet een verloskundige niet vragen wat zij nodig heeft, maar aangeven wat haar probleem is. ‘De centralist van de meldkamer is uiteindelijk verantwoordelijk voor de inzet van zorg.’
Aan het eind van het gesprek kan de verloskundige aangeven naar welk ziekenhuis moeder en kind vervoerd moeten worden. ‘Maar dit is uiteraard mede afhankelijk van de ernst en aard van de complicaties’, benadrukt Goosselink.

Meedoen
De MIST-richtlijn is overzichtelijk gebundeld op handzaam A5-formaat. ‘Het enige wat verloskundigen moeten invullen, is het telefoonnummer van de betreffende meldkamer’, licht Goosselink toe. Dit kaartje is in november uitgereikt aan de eerstelijns verloskundigen in het werkgebied van het Netwerk Acute Zorg Zwolle. ‘Gelderland wil ook graag meedoen en in Twente bestaat eveneens interesse’, verklaart de verpleegkundig specialist. ‘Ik verwacht dat deze richtlijn uiteindelijk wordt vertaald in een landelijk protocol.’

Hoewel het nog te vroeg is om conclusies te kunnen trekken, zijn Goosselink en De Leeuw nu al overtuigd van de meerwaarde van De MIST. ‘Door het creëren van eenduidigheid in de overdracht, voorkom je miscommunicatie en win je tijd. Daar zijn zowel moeder als kind bij gebaat.’
Goosselink benadrukt dat de introductie van De MIST niet alleen de verdienste is van ‘zijn’ focusgroep. ‘Als professionals zijn we uitstekend in staat zijn om zo’n richtlijn op te stellen, maar we hebben geen tijd om kaartjes te drukken en een voorlichtingsavond te organiseren. Juist daarom ben ik hartstikke blij met de ondersteuning vanuit het Netwerk Acute Zorg Zwolle. Wij hebben het ei gelegd en zij hebben het uitgebroed. Een prachtige vorm van samenwerking.’

(Het volledige artikel leest u in de Publicatie in Nataal, Nieuwsmagazine voor de pre- en postnatale dienstverlening; editie 11 - jaargang 4)


Terug naar overzicht