Contact
  1. Verandering verslaglegging mammografie
Punt Coronavirus (COVID-19) Bent u patiënt, begeleider of bezoeker? Hier vindt u belangrijke informatie over uw bezoek aan Isala.

​Al enige tijd geleden is de richtlijn voor de beschrijving van het klierweefsel in het verslag van de mammografie veranderd. Voorheen gold de ACR-classificatie en omdat iedereen hier aan gewend was, zijn we die blijven gebruiken. Recent zijn we toch overgestapt naar de mamma densiteitclassificatie.

Verslaglegging mammografie

In de BI-RADS-editie 2003 was de toewijzing van de borstsamenstelling gebaseerd op de totale dichtheid die resulteerde in ACR categorie 1 (<25% fibroglandair weefsel), categorie 2 (25-50%), categorie 3 (50-75%) en categorie 4 (> 75%).

In BI-RADS 2013 wordt het gebruik van percentages ontmoedigd omdat in individuele gevallen het belangrijker is om rekening te houden met de kans dat een massa kan worden verduisterd door fibroglandair weefsel dan het percentage borstdichtheid als indicator voor het risico op borstkanker.

In plaats van type 1 t/m 4, van weinig naar veel klierweefsel, gebruiken we nu type A t/m D. Dus D komt overeen met 4.

Mammadensiteit in de Nederlandse praktijk
A. Vrijwel volledig opgebouwd uit vet
B. Verspreid fibroglandulair weefsel
C. Heterogeen dens fibroglandulair weefsel
D. Zeer dens fibroglandulair weefsel

A. Vrijwel volledig opgebouwd uit vet (Voorheen: “ACR 1”)

Mammografie is in deze gevallen zeer sensitief, tenzij een gebied met een carcinoom niet op het mammogram staat afgebeeld.

B. Verspreid fibroglandulair weefsel (Voorheen: “ACR 2”)

Het kan nuttig zijn mammae met slechts enkele verspreide gebieden met fibroglandulair weefsel te onderscheiden van mammae met meerdere verspreide gebieden met fibroglandulair weefsel. Merk op dat er een verandering in de woordkeuze binnen deze categorie heeft plaatsgevonden (“fibroglandulair weefsel “ in plaats van “gebieden met fibroglandulaire densiteit”) om de tekst aan te passen aan het BI-RADS lexicon, waarbij het woord “densiteit “ gebruikt wordt om een mate van verzwakking van de röntgenstralen te beschrijven en niet om mammografische bevindingen te beschrijven.

C. Heterogeen dens fibroglandulair weefsel (Voorheen: “ACR 3”)

Het is niet ongebruikelijk dat in dit soort mammae relatief dense gebieden worden afgewisseld met primair vette gebieden. Het kan dan nuttig zijn om de locatie van de dense gebieden in een tweede zin toe te voegen, zodat de verwijzer zich bewust is dat er gebieden zijn, waar niet-verkalkte laesies schuil kunnen gaan achter overprojecterend fibroglandulair weefsel. Enkele suggesties voor de woordkeuze: “Het dense weefsel bevindt zich anterieur in beide mammae, de posterieure delen bestaan voornamelijk uit vet.” Of “Het dense weefsel bevindt zich in de laterale bovenkwadranten van beide mammae, in de overige delen wordt verspreid fibroglandulair weefsel gezien.”

D. Zeer dens fibroglandulair weefsel (Voorheen: “ACR 4”)

De sensitiviteit van de mammografie is in deze categorie het laagste. De 2003 editie koos ervoor om de 4 densiteitcategorieën onder te verdelen in 4 groepen van 25% elk, in de verwachting dat het toekennen van de inschatting van densiteit evenrediger over de 4 groepen zou worden verdeeld, dan de historische verdeling van 10% voor vet, 40% voor verspreid, 40% voor heterogeen dens en 10% voor zeer dens. Maar deze historische verdeling blijkt hierdoor niet te zijn veranderd, ondanks de begeleidende teksten in de 2003-editie.

Namens de vakgroep radiologie
Miranda van 't Veer-ten Kate, radioloog