Contact
  1. Vragen naar aanleiding van publicatie rapport Van kinderwens naar kind van de rekening
Punt Coronavirus (COVID-19) Bent u patiënt, begeleider of bezoeker? Hier vindt u belangrijke informatie over uw bezoek aan Isala.

Op 3 november jl. heeft de externe commissie, die in opdracht van Isala onderzoek heeft gedaan naar de handelwijze van gynaecoloog Wildschut in de periode van 1980 tot 1994 in het Sophia ziekenhuis in Zwolle, haar rapport 'Van kinderwens naar kind van de rekening' gepresenteerd.

Na de openbaarmaking van haar rapport heeft de commissie vragen ontvangen van ouders en kinderen, zowel over hun persoonlijke situatie als over het onderzoeksrapport. In deze vragen komt een aantal onderwerpen steeds terug. De commissie hecht eraan deze onderwerpen nader toe te lichten, zoals zij ook heeft gedaan tijdens de bijeenkomst met ouders en kinderen op 13 november j.l. Het betreft de volgende onderwerpen:

  • In het rapport wordt gesproken over 14.000 dossiers die opnieuw gearchiveerd zijn, zodat ze in voorkomende gevallen snel gevonden kunnen worden. Betrokkenen vragen zich af of dit betekent dat er mogelijk in al die gevallen sprake kan zijn van gebruik van eigen sperma (semen) door dr. Wildschut.
    Het is beslist niet zo dat het in deze zaak om mogelijk 14.000 gevallen gaat. Het is de commissie gebleken dat het archiveringssysteem zodanig was dat fertiliteitsdossiers niet gericht te vinden waren. Ze waren namelijk gearchiveerd op geboortedatum van de patiënt. Het archief beslaat zo’n 19 km aan dossiers. Er is door Isala een zoekactie ondernomen om alle fertiliteitsdossiers te lichten en te herarchiveren. Het gaat hierbij om ruim 14.000 dossiers over de gehele periode voordat het ziekenhuis overging op digitale dossiervoering; dat wil zeggen over de periode van 1980 tot 2014. Dit betreft bovendien niet alleen dossiers uit het voormalige Sophia ziekenhuis maar ook uit ziekenhuis De Weezenlanden, die later samen zijn opgegaan in Isala. Slechts een deel hiervan betreft de periode waarin Wildschut actief was (tot eind 1993). Zeker in de laatste jaren dat Wildschut actief was, werden er ook behandelingen uitgevoerd door andere (fertiliteits)artsen.

    Uit de dossiers die tot nu toe zijn beoordeeld, is niet te achterhalen wie er met sperma van Wildschut werd behandeld. In die gevallen waarin is aangetoond dat een kind afstamt van Wildschut, zijn er in het dossier geen aanwijzingen gevonden dat sperma van Wildschut is gebruikt.

  • Veel vragen hebben betrekking op de aanbeveling van de commissie waarin zij Isala adviseert patiënten die in de periode tussen 1980 en 1994 door Wildschut behandeld zijn niet actief op te sporen en te benaderen. Betrokkenen vragen zich af waarom de commissie voorrang geeft aan het recht van ouders op niet weten ten opzichte van de belangen van kinderen (o.a. met het oog op het voorkomen van consanguïniteit (er wordt gesproken over consanguïniteit als (huwelijks)partners door afstamming van een of meer gemeenschappelijke voorouder(s) verwant zijn aan elkaar. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om broer en zus, neef en nicht (gezamenlijke grootouders), of om achterneef en achternicht (gezamenlijke overgrootouders).
    Het is niet zo dat de commissie voorrang geeft aan het recht van ouders op niet-weten boven het recht van kinderen op informatie over hun afstamming. Zoals in het rapport is aangegeven is uit de dossiers niet op te maken of Wildschut in concrete gevallen gebruik heeft gemaakt van eigen sperma. Als ouders willen weten of hun kind(eren) verwekt zijn met sperma van Wildschut kan dit niet worden vastgesteld zonder medewerking van hun kind(eren). Het is zelfs zo dat de enige manier om vast te kunnen stellen of er verwantschap is met Wildschut een actie of initiatief van het kind vereist, nl. een verwantschapsonderzoek uit te laten voeren. Kinderen die benieuwd zijn van wie zij afstammen kunnen die stap ook nemen en zeker nu er een virtueel donorprofiel van Wildschut beschikbaar is kunnen zij – ook zonder medewerking van hun ouders – erachter komen of zij aan Wildschut te matchen zijn. De sleutel ligt dus in handen van de kinderen.

    De commissie meent daarom dat naast het recht van kinderen om hun afstamming te kunnen kennen er plaats is voor een recht van ouders om niet te weten. De commissie heeft geadviseerd om een algemene oproep te laten plaatsen in regionale en landelijke media in plaats van patiënten die destijds een fertiliteitsbehandeling hebben ondergaan persoonlijk aan te schrijven. Het laatste is dwingender van aard en door ouders moeilijker te negeren. Dat is lastig omdat er geen verplichting bestaat voor ouders om gehoor te geven aan een oproep om na te gaan van wie hun kind afstamt. Dat mogen mensen in Nederland zelf bepalen. Er zijn ook ouders die dit niet willen weten en er zijn zelfs ouders die aangaven dat ze het nu weten maar niet hadden willen weten.

    Het aanschrijven van alle patiënten die destijds door Wildschut zijn behandeld zou bovendien met zich mee brengen dat alle dossiers inhoudelijk bekeken moeten worden om vast te kunnen stellen of een patiënt door Wildschut is behandeld en of uit die behandeling ook daadwerkelijk een zwangerschap is ontstaan die tot de geboorte van een kind heeft geleid. Daarmee wordt ook een risico gelopen dat mensen worden geconfronteerd met de vraag of zij contact willen opnemen terwijl het dossier bijvoorbeeld niet klopt en achteraf blijkt dat ze niet tot de doelgroep (kunnen) behoren of dat hun kind is overleden. Dat maakt het risico op onnodig leed nog groter.

  • Tenslotte is een veelgehoorde vraag of onderzocht kan worden of er naast Wildschut andere gynaecologen of artsen in andere ziekenhuizen zijn geweest die eenzelfde handelwijze hebben gevolgd.
    Een dergelijk onderzoek acht de commissie moeilijk uit te voeren. Ziekenhuizen en klinieken kunnen namelijk niets met verhalen die de ronde doen dat andere gynaecologen/artsen ook hebben gehandeld zoals Wildschut. De enige manier waarop dit aan het licht kan komen is als kinderen gematcht worden aan een andere gynaecoloog/arts. Op deze manier is ook het handelen van Wildschut aan het licht gekomen. Zoals uit het onderzoek van de commissie is gebleken geven dossiers geen enkele aanwijzing of bewijs dat iets anders is gedaan dan was afgesproken (in dossiers die de commissie heeft kunnen inzien staat namelijk dat KIE is afgesproken en is uitgevoerd). Ook is gebleken dat ouders soms niet meer wisten welke behandeling zij hadden gehad. De sleutel ligt bij kinderen: zij zijn nodig om zaken aan het licht te brengen. Mocht het zo zijn dat kinderen door middel van verwantschapsonderzoek aan een andere arts/gynaecoloog zijn gematcht dan kunnen zij dit melden bij het bestuur van de instelling waar deze arts/gynaecoloog werkzaam is geweest. Als zij daar tegenop zien kunnen zij dit ook melden bij de voorzitter van de commissie (didi.braat@radboudumc.nl), die dit vervolgens bij de betreffende instelling zal aankaarten.

Eerdere berichtgeving Isala: