Contact
  1. 7157-Carpale tunnelsyndroom (poliklinische operatie)
Punt Coronavirus (COVID-19) Bent u patiënt, begeleider of bezoeker? Hier vindt u belangrijke informatie over uw bezoek aan Isala.

In deze folder vindt u uitgebreide informatie over de operatie van het carpale tunnelsyndroom en over de periode na de operatie. Wij adviseren u de informatie, adviezen en instructies aandachtig door te lezen.

Wat is het carpale tunnelsyndroom?

Het carpale tunnelsyndroom is een ziekte waarbij een zenuw in de pols bekneld zit. De plaats van de beknelling noemen we de carpale tunnel. Door deze tunnel lopen een belangrijke zenuw (de nervus medianus) en negen buigpezen van de onderarm naar de hand. Het carpale tunnelsyndroom ontstaat wanneer in deze tunnel een drukverhoging en een zwelling optreden. Er komt dan druk op de zenuw te staan. Hierdoor ontstaan gevoelloosheid, tintelingen en pijn in de arm, hand en vingers.

Afbeelding tunnelsyndroom
Afbeelding 1 Carpale tunnelsyndroom
 

Wat is de oorzaak?

De oorzaak van de beklemming is meestal onbekend. Oorzaken die soms voorkomen zijn:
  • Een zwelling van het glijweefsel van de pezen; dit noemen we tenosynovitis.
  • Botbreuken en artrose (slijtage) kunnen de tunnel  ook vernauwen.
  • Het vasthouden van vocht tijdens de zwangerschap kan soms een zwelling veroorzaken in de tunnel en verschijnselen oproepen van het carpale tunnelsyndroom. Deze vorm van het carpale tunnelsyndroom verdwijnt meestal weer na de bevalling.
  • Bij sommige ziekten, zoals schildklierafwijkingen (hypothyreoïdie), reumatische aandoeningen en suikerziekte, komt de ziekte vaker voor.

Wat zijn de klachten?

Verschijnselen van het carpale tunnelsyndroom zijn meestal pijn, gevoelloosheid, tintelingen of een combinatie hiervan in één of beide handen. De gevoelloosheid of het tintelen komen meestal voor in de duim, wijs-, middel- en ringvinger.

De verschijnselen treden vooral ’s nachts op. Maar ze kunnen ook tijdens activiteiten overdag opgemerkt worden, zoals bij autorijden of de krant lezen. Patiënten merken soms dat ze minder kracht hebben en dat ze dingen laten vallen. In ernstige gevallen kan het gevoel voor altijd afwezig zijn. De spieren van de duimmuis kunnen verdwijnen, waardoor de duimmuis slinkt.
 

Hoe wordt het syndroom vastgesteld?

De plastisch chirurg vermoedt dat u last heeft van het carpale tunnelsyndroom op basis van uw verschijnselen. Om vast te stellen wat het probleem is, wordt vaak een elektro-myogram (EMG: een zenuwgeleidingsonderzoek) of een echo gemaakt.
In sommige gevallen laat de plastisch chirurg bloedonderzoek doen om uit te sluiten dat een andere ziekte de oorzaak is van de verschijnselen.
Soms wordt een röntgenfoto gemaakt om uit te sluiten dat botafwijkingen de oorzaak van uw verschijnselen zijn.
Als de plastisch chirurg denkt dat er een zenuwbeknelling is op een andere plaats dan de pols, dan krijgt u een doorverwijzing naar de neuroloog voor verder onderzoek.
 

Wat is de behandeling?

Een operatie is niet altijd nodig. Soms is een verandering van werkzaamheden voldoende om de verschijnselen te laten verdwijnen. Ook het dragen van een nachtspalk kan de verschijnselen verlichten. Ontstekingsremmende medicijnen die worden geslikt of ingespoten in de carpale tunnel, kunnen bijdragen aan het verminderen van de zwelling in de carpale tunnel.

Als uw verschijnselen ernstig zijn of niet verbeteren, kan een operatie nodig zijn om de ruimte in de carpale tunnel te vergroten. Deze operatie wordt soms in dagbehandeling uitgevoerd, onder algehele anesthesie (narcose) of regionale anesthesie (waarbij alleen de arm wordt verdoofd met een okselprik). Meestal vindt de operatie plaats op de polikliniek, waarbij alleen uw pols of handpalm wordt verdoofd (lokale verdoving). De plastisch chirurg vertelt u hier meer over of de anesthesioloog (bij algehele of regionale anesthesie).
 

Operatie met lokale verdoving (poliklinisch)

Voorbereiding

  • U mag voor de operatie gewoon eten en drinken. U hoeft dus niet nuchter te zijn!
  • Wanneer u bloedverdunnende medicijnen gebruikt, moet u hiermee drie tot tien dagen voor de operatie stoppen. Denk bijvoorbeeld aan: coumarine, marcoumar, sinaspril, sintrom, ascal , kinderasperine of een nieuwe orale antistolling zoals Xarelto etc. U krijgt hierover uitleg van de plastisch chirurg of doktersassistent tijdens uw eerste afspraak op de polikliniek.
  • Bent u allergisch (overgevoelig) voor bijvoorbeeld plaatselijke verdoving, jodium of bruine pleisters? Meld dit dan van tevoren bij de plastisch chirurg.
  • Uw nagels moeten schoon (zonder nagellak) en kort zijn.
  • Het is handig om ruim zittende (boven)kleding te dragen in verband met het drukverband.
  • Draag geen ringen of andere sieraden aan de te opereren hand.
  • Als u alleen woont, adviseren wij u voor de eerste dagen thuis hulp te regelen.
Let op
Heeft u op de dag van de operatie koorts (boven de 38 graden) of bent u ziek? Neem dan meteen telefonisch contact op met de polikliniek Plastische chirurgie via (038) 424 56 36.
  • U wordt opgehaald uit de wachtkamer door de doktersassistente.
  • De dokter tekent het operatie gebied af.
  • Nadat u heeft plaatsgenomen op de behandeltafel, maken wij het te behandelen gebied schoon met een desinfecterend middel (cetrimide, rodamide of chloorhexidine).
  • Daarna dekken wij het operatiegebied af met steriele doeken, die u niet mag aanraken.

Lokale verdoving

Het operatiegebied verdoven wij plaatselijk met een spuit. Hierbij voelt u eerst een klein prikje van de naald. Daarna wordt de verdovingsvloeistof ingespoten.
Door het inspuiten zal het operatiegebied tijdelijk dikker worden en ook bleek van kleur worden. De verdoving werkt vrijwel meteen.
Door de verdoving voelt u geen pijn meer. U voelt wel dat de dokter bezig is en u kunt aanrakingen blijven voelen.

Operatie

Voor de operatie krijgt u een strakke band om uw arm die tijdens de operatie opgeblazen blijft. Dit voelt strak aan.
Tijdens de operatie wordt het dak van de carpale tunnel, dat gevormd wordt door een stevige band, doorgesneden. Het doel is de tunnel te vergroten en de druk op de zenuwen te verminderen.
De operatie duurt ongeveer een kwartier. Aan het eind van de operatie wordt uw hand verbonden met een drukverband.

Na de operatie

Pijnbestrijding

  • Als de verdoving begint uit te werken, mag u om de zes uur twee tabletten paracetamol (500 mg per tablet) innemen.
  • Helpt dit niet voldoende, dan mag u daar nog een tablet ibuprofen van 400 mg bij innemen, ook om de zes uur.
  • De paracetamol en ibuprofen mogen eventueel tegelijkertijd worden ingenomen. Deze hoeveelheid mag u maximaal 3 dagen achter elkaar gebruiken.

Wond

De wond zit op de palm van uw hand en loopt meestal vanaf de polsplooi richting uw vingers, vaak in het verlengde van de ringvinger. De lengte bedraagt meestal ongeveer vier centimeter. 

Verband

Het drukverband zorgt voor tijdelijke rust van uw hand en pols. De pols hoort hierbij licht achterover gebogen te zijn. Uw vingers en duim kunnen vrij bewegen. Een maximale vuist maken met de nagels in de handpalm lukt alleen niet helemaal, omdat het verband dik is.

Als u het gevoel heeft dat het verband te strak zit of dat het bij de duim insnoert, kunt u het buitenste verband door iemand opnieuw laten aanleggen. Let er daarbij op dat de pols in dezelfde positie komt te liggen. De onderliggende watten en gaasjes kunt u laten zitten.

Na één week mag u zelf thuis het verband verwijderen. U moet het verband tot die tijd droog houden. Als bescherming kunt u een gewone pleister plakken.

Als het verband verwijderd is, mag u de hand wassen. Ga nog niet in (zwem)bad of in afwaswater met de hand voordat de hechtingen zijn verwijderd.

Hand hoog houden

U krijgt geen mitella mee, het beste kunt u zelf de hand hoog houden. Dit zorgt ervoor dat de hand minder dik wordt en daardoor minder pijnlijk is. Hierbij adviseren wij u de hand hoog te leggen op een kussen. Laat uw arm/schouder/hand ontspannen rusten, ongeveer ter hoogte van uw hart. Daardoor voorkomt u stuwing.
Ook in bed kunt u uw arm wat hoger leggen op een kussen.

Complicaties

Er bestaat altijd een kans op complicaties zoals een nabloeding of wondinfectie, maar deze is klein. Het specifieke risico van deze operatie is het ontstaan van letsel van zenuwtakjes, waardoor het gevoel van de vinger tijdelijk of definitief verstoord kan raken.

Oefenen

Het is belangrijk dat uw hand en pols beter worden door te bewegen. Hiervoor gebruikt u oefeningen. Al meteen na de operatie kunt u beginnen met oefenen. Het doel daarvan is dat de pezen van uw vingers maximaal gaan glijden.

Doe de volgende oefeningen:

  • Maximaal strekken/recht maken van de vingers (zie figuur 1).
  • Maken van een klauw.
    Dat wil zeggen: vingers en hand recht maken en de laatste twee kootjes buigen alsof u aan het krabben bent (zie figuur 2)
  • Maximaal buigen van de vingers. 
    Dat wil zeggen: nagels zo ver mogelijk naar de handpalm buigen (verband kan wat belemmeren) (zie figuur 3).
  • Een vuist maken (zie figuur 4).
  • Maken van een ‘dakje’ met de vingers. 
    Dat wil zeggen: alle drie de kootjes strekken/recht houden en de hand buigen bij de overgang van de handpalm naar de vingers (zie figuur 5).

Wij adviseren u deze vijf bewegingen elk uur een paar minuten uit te voeren (als u wakker bent).
Vooral de eerste dagen is oefenen het belangrijkste. Als uw hand na een paar dagen soepel aanvoelt, kunt u het aantal keren oefenen verminderen.
Vuistregel is en blijft: oefenen op geleide van de pijn. Probeer dus elke keer een stapje verder te komen, zonder de pijngrens duidelijk te overschrijden.

Afbeelding oefeningen bij tunnelsyndroom
Afbeelding 2. Oefeningen na operatie tunnelsyndroom

Poliklinische controles

  • Ongeveer twee weken na de operatie komt u voor controle terug op de polikliniek Plastische chirurgie of u heeft een telefonische afspraak.
  • Zes weken na de operatie merken de meeste patiënten een sterke vermindering van de klachten van vóór de operatie. Als dat zo is en u ook uw hand steeds meer kunt gebruiken in uw dagelijks leven, dan is een tweede controleafspraak meestal niet nodig. Daarom spreken wij bij de eerste controle ook wel met u af, dat u alleen hoeft terug te komen als u daar zelf een reden voor heeft. Hierbij geldt: bij twijfel terugkomen!

Hechtingen

De hechtingen blijven in totaal twee weken zitten. Deze worden op de controleafspraak verwijderd. U mag de hechtingen er thuis ook zelf uithalen of dit laten doen door de huisarts.

Operatie andere hand?

Het kan zijn dat u ook aan uw andere hand geopereerd moet worden vanwege hetzelfde carpale tunnelsyndroom. Meestal kan deze operatie zes tot twaalf weken na de eerste operatie worden uitgevoerd. De afspraak hiervoor kan twee weken na de eerste operatie worden gemaakt.

Kracht

De anatomie van uw hand wordt met deze operatie enigszins verstoord. De spieren van de muis van uw hand hechten bijvoorbeeld deels aan het bandje dat bij de operatie wordt doorgesneden. Wij raden u daarom aan om in de eerste drie weken de belasting van uw hand langzaam op te voeren. Pas na drie weken mag u uw hand volledig belasten. Maar als u veel met uw handen werkt (bijvoorbeeld als bouwvakker), kunt u er niet van uitgaan dat u na drie weken weer vrolijk uw oude werktempo haalt.

Litteken

Het litteken zit precies op de plaats waarop u met uw hand steunt als u opstaat en zich afzet op een stoelleuning of tafel. Dat kan tot een aantal maanden na de operatie een vervelend gevoel op de plaats van het litteken geven. Als dat uw enige klacht is, hoeft u hiervoor niet speciaal terug te komen. Meestal verdwijnt deze klacht in de loop van de maanden.
Zodra het kan, kunt u proberen met een handcrème het litteken vanuit alle kanten steeds steviger te masseren om het soepeler te maken.

Autorijden

U bent zelf verantwoordelijk voor het bepalen van het moment waarop verantwoord autorijden weer mogelijk is. Met de hand in het verband is het in ieder geval sterk af te raden. Als u na één tot drie weken na de operatie pijnloos handelingen kunt uitvoeren die sterk lijken op autorijden, dan zou het besturen van een auto weer verantwoord kunnen zijn.

Verschijnselen na de operatie

De meeste mensen klagen vóór de operatie over tintelingen in de vingertoppen. Hierdoor worden ze ‘s nachts vaak wakker. Die verschijnselen zijn na de operatie meestal meteen flink verminderd.
Eventuele doofheid of krachtverlies door de zenuwbeklemming kosten meer tijd om beter te worden. Dat lukt niet altijd helemaal, zeker niet als de verschijnselen al vele maanden of zelfs jaren bestaan.
Mocht u verschijnselen houden, maak dan gerust een nieuwe afspraak op de polikliniek Plastische chirurgie.

Wanneer bellen?

Neem contact op met de polikliniek Plastische chirurgie als u in de eerste week na de operatie een van de volgende verschijnselen heeft:

  • beklemmend verband;
  • pijnlijk, kloppend en/of branderig gevoel bij of van de wond;
  • koorts;
  • pijnlijke tintelingen in de oksel of rondom het sleutelbeen (al dan niet met bloeduitstorting);
  • andere verschijnselen die u niet vertrouwt.

Contact

Heeft u nog vragen, dan kunt u bellen met de locatie waar u onder behandeling bent:

Zwolle, Kampen of Heerde

Plastische chirurgie
(038) 424 56 36 (bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 17.00 uur)

Meppel of Steenwijk

Plastische chirurgie
(0522) 23 38 17 (bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 17.00 uur)

Ziekenhuis St Jansdal

Chirurgie
(0341) 463 777 (bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 16.30 uur)

Kunt u niet komen? Laat het ons snel weten, dan maken wij een nieuwe afspraak.

Verantwoording tekst

Voor het schrijven van deze informatie heeft Isala gebruikgemaakt van voorlichtingsmateriaal van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie.

9 november 2020 / 7157 / L