Contact
  1. 8554-Schisis en logopedie voor jonge kinderen
Punt Coronavirus (COVID-19) Bent u patiënt, begeleider of bezoeker? Hier vindt u belangrijke informatie over uw bezoek aan Isala.

Als ouders van een kind met schisis (ook wel hazenlip genoemd), bent u misschien benieuwd naar hoe uw kind gaat spreken en wat u kunt doen om te helpen. In deze folder leest u meer over de taal- en spraakontwikkeling. Ook vindt u in deze folder oefeningen die u al met uw kind kan doen, hoe jong uw kind soms ook nog is.

Taal- en spraakontwikkeling en oefeningen

Spraakontwikkeling

Iedere taal kent een aantal klanken, die speciaal bij de taal horen. Het leren herkennen en het leren uitspreken van die klanken noemen we spraakontwikkeling. Voor deze ontwikkeling is het belangrijk dat uw kind de spieren van lippen, tong en gehemelte goed kan bewegen en dat hij goed hoort.

In de eerste drie jaar

In deze periode leren kinderen controle te krijgen over de verschillende spieren. Ook leren ze luisteren, zodat ze met ongeveer drie jaar bijna alle klanken kunnen vormen. Alleen de s en de r zijn hier vaak een uitzondering op. Deze twee klanken hoeft een kind pas met ongeveer zes jaar goed uit te kunnen spreken.

Tussen het derde en het vijfde jaar

Dan leren kinderen de verschillende klanken te gebruiken in woorden. Eerst worden klanken in woorden vaak weggelaten of vervangen. Bijvoorbeeld: fiets = piets; bloem = boem; kraan = klaan. Ook van twee of drie medeklinkers aan het begin of einde van een woord, wordt vaak eerst maar één uitgesproken. Bijvoorbeeld: stoel = toel; vliegtuig = vietuig. Een zesjarig kind kan de klanken van een taal goed uitspreken en ze ook gebruiken in woorden en zinnen.

Spraak bij schisis

De vorm van schisis kan verschillende problemen veroorzaken bij de spraakontwikkeling. De spleet in het gehemelte speelt hierbij de belangrijkste rol. Voor een goed verstaanbare spraak moet het gehemelte de mogelijkheid hebben de neusholte van de mondholte af te sluiten. In het Nederlands moet alleen bij de klanken /n/, /m/ en /ng/ lucht door de neus gestuurd worden. Bij andere klanken mag dat niet. De klanken die vaak moeilijk zijn voor een kind met een gehemeltespeet zijn p, b, t, d, f, v, s, z, r en soms k.

Taalontwikkeling

Taalontwikkeling is het leren begrijpen van de betekenis van woorden die door anderen worden uitgesproken. Hierdoor is het mogelijk om ook zelf gedachten en wensen onder woorden te brengen. Taalontwikkeling is dus eigenlijk de manier waarop kinderen woorden en zinnen leren begrijpen en leren uitspreken. Deze ontwikkeling verloopt meestal volgens een vaste lijn.

Tussen één en anderhalf jaar

Dan zegt het kind zijn eerste woordjes. Deze woordjes worden vaak niet goed gevormd, doordat ook de spraakontwikkeling nog in volle gang is. Het kind zegt bijvoorbeeld: taat (staart) of pa-pu (paraplu). Het is normaal dat het spreken een beetje neuzig (nasaal) is.

Tussen anderhalf en twee jaar

Maken kinderen zinnen van twee woorden. Ook dan worden de woorden nog niet altijd goed gevormd en kan het spreken soms nasaal zijn. Het kind zegt bijvoorbeeld: fieze buite = ik wil buiten fietsen of kinne boem = de vlinder zit op de bloem.

Tussen twee en drie jaar

Maken kinderen zinnen van drie tot vijf woorden. Wanneer ze naar de basisschool gaan, kunnen ze zich vaak al aardig uitdrukken. Ongeveer driekwart van wat uw kind vertelt, is dan ook voor anderen verstaanbaar.

Nasaliteit

Nasaliteit betekent dat de spraak teveel door de neus klinkt. Er ontsnapt dan te veel lucht door de neus. Bijvoorbeeld door een kort en/of niet goed bewegend gehemelte of soms door een spleet in het (harde) gehemelte. Dit noemen we hypernasaliteit of open neusspraak.

Tijdens het spreken moeten de meeste klanken door de mond (oraal) worden gevormd. Het zachte gehemelte wordt dan opgetrokken tegen de achterkeelwand en sluit de mondholte van de neusholte af.

Slechts bij drie spraakklanken, de m, n en ng, is deze afsluiting niet noodzakelijk. Deze klanken moeten zelfs door de neus klinken. Door de werking van het zachte gehemelte (optrekken en niet optrekken) kan een onderscheid gemaakt worden tussen orale klanken (waarbij de lucht door de mond gaat) en nasale klanken (waarbij de lucht door de neus gaat).

Soms klinkt de spraak nasaal door een verkoudheid en/of een vergrote neusamandel, dan komt er juist te weinig lucht/klank door de neus. Dit noemen we hyponasaliteit of gesloten neusspraak.

Bij een kind zonder schisis duurt het ongeveer drie jaar voordat het de bewegingsmogelijkheden van het zachte gehemelte volledig onder controle heeft. Wanneer het gehemelte van voldoende lengte en voldoende beweeglijk is, zal er na die eerste drie levensjaren geen lucht meer door de neus ontsnappen, wanneer dat niet nodig is.

Verwijderen neusamandel

Bij een kind met schisis is het verwijderen van de neusamandel niet wenselijk. De neusamandel helpt mee bij het afsluiten van het gehemelte. Als het verwijderd wordt, is de kans groot dat het kind meer nasaal gaat spreken. Als een arts deze behandeling adviseert, dan is het noodzakelijk om dit eerst te bespreken in het schisisteam. Verwijderen van de keelamandelen is meestal geen probleem.

Functie zachte gehemelte

Het zachte gehemelte heeft een belangrijke functie. Als het omhoog beweegt tegen de achterkeelwand sluit het de neusweg af. Zo stroomt de lucht vanuit de longen door de mondholte naar buiten. Dit is de positie die het zachte gehemelte aanneemt bij zuigen, blazen en bijna alle spraakklanken. Alleen bij de klanken m, n en ng hangt het zachte gehemelte naar beneden zodat er wel lucht door de neus kan stromen. Dit zijn de neusklanken.

Wanneer een kind met schisis minder duidelijk spreekt dan zijn leeftijdsgenootjes, moet worden onderzocht wat er precies aan de hand is: een spraakprobleem, een taalprobleem, te nasaal spreken of een combinatie van deze problemen. Het is handig om thuis de uitingen op te schrijven of beeldopnames van het spreken te maken. Dit kan bijvoorbeeld tijdens het spelen. Zo’n spraakvoorbeeld kan dan meegebracht worden naar het spreekuur. Dat kan handig zijn, als uw kind bijvoorbeeld op een leeftijd is, waarop hij niet makkelijk op verzoek iets wil zeggen.

Gehoor

Kinderen met schisis hebben vaker gehoorproblemen dan kinderen zonder schisis. Bij kinderen met een gehemeltespleet en/of een te kort aangelegd gehemelte, kan de buis van Eustachius niet goed openen, omdat de werking van de gehemeltespieren niet voldoende is. Hierdoor kan er in het middenoor vochtophoping ontstaan. De KNO-arts kan trommelvliesbuisjes plaatsen voor een betere ontluchting.

Het is van belang voor de taal- spraakontwikkeling dat kinderen goed horen. Voordat een kind zijn eerste woorden gaat zeggen (vanaf 1 jaar) heeft het al veel taal gehoord en opgenomen. Dit zijn dagelijkse woorden die uw kind continu hoort, zoals: eten, slapen, mama, papa enzovoort. Door vooral te luisteren slaat uw kind allerlei woorden op in zijn geheugen. Woorden die hij nog niet gebruikt, maar al wel begrijpt. Als het gehoor verslechtert, kan het kind de woorden niet goed opnemen. Dit kan leiden tot een vertraging van de taal- en spraakontwikkeling.

Hoe herkent u beginnende gehoorproblemen?

  • Als uw kind vaak grijpt naar zijn oortjes en daarbij huilt of wanneer u uw kind neerlegt en hij begint te huilen, kunnen dit tekenen zijn van oorpijn.
  • Schrikken van geluiden en/of onvoldoende reageren op bijvoorbeeld de deur openen, aanroepen en spreken, kunnen tekenen zijn van een verminderd gehoor. Dat komt vaak door vocht achter de trommelvliezen. Laat bij twijfel altijd een huisarts of KNO-arts naar de oren kijken. Zo nodig worden er trommelvliesbuisjes geplaatst.

Speekselverlies/kwijlen

Kinderen met schisis kunnen last hebben van overmatig speekselverlies. Speekselverlies bij jonge kinderen is normaal tot 15 à 18 maanden. Het is niet normaal vanaf 24 maanden.

Mogelijke oorzaken:
A Het niet goed kunnen beheersen van de mondmotoriek. Met name het opzuigen, verzamelen en wegslikken van speeksel.
B Een ondergevoeligheid in het mondgebied, waardoor het speeksel niet op tijd gevoeld wordt.
C Anatomische problemen die het slikken in de weg staan, zoals:
   - scheve tanden/kaak/gehemeltegroei
   - mondademhaling door een verstopping/belemmering in neus/keelholte of een verstopping/belemmering in neus/keelholte of een verstopping/belemmering in keel en slokdarm.
D Een combinatie van de bovenstaande factoren.

Als uw kind overmatig veel speeksel heeft door geen goede beheersing van de mondmotoriek (oorzaak A), dan kunnen mondmotorische (zuig-) oefeningen een goede start zijn om het speekselverlies te verminderen. Voor oorzaken B, C en D wordt een kind vaak doorverwezen naar een logopedist of de behandelend arts.

Oefeningen en adviezen

Graag geven wij u adviezen en oefeningen, die u kunt gebruiken voor de spraak- en taalontwikkeling van uw kind. De oefeningen zijn ingedeeld in algemene adviezen en adviezen die speciaal gericht zijn op het kind met schisis.

Leren praten

Het is belangrijk dat uw kind het leuk gaat vinden om te brabbelen en te praten. Dit stimuleert u waarschijnlijk vanzelf al door te reageren op de geluidjes die uw kind maakt. Meestal doen ouders de geluidjes van hun baby na. Dat is goed. Je ziet dan vaak dat de kinderen het nog eens doen. Zo ontstaat een gesprekje in brabbeltaal. Kinderen worden dan gestimuleerd om verschillende geluiden te maken. Ook ontwikkelen ze zo de motoriek en spieren die nodig zijn voor het spreken.

Het is belangrijk om plezier te hebben in het communiceren met uw kind. Zo krijgt uw kind een positieve ervaring met spreken. Ook is het belangrijk om geduld te hebben. Spreek zelf bijvoorbeeld niet te snel. Laat het kind ook zelf bepalen of hij wel of geen zin heeft om te praten. Maar neem niet altijd genoegen met aanwijzen of meetrekken en ‘vertaal’ zo mogelijk wat uw kind u duidelijk wil maken.

Mondspelletjes voor baby’s

Stimulatie klankontwikkeling bij baby’s met schisis (jonger dan 1 jaar)

Het is gebleken dat bij veel baby’s met schisis de klankontwikkeling in het eerste jaar anders gaat, dan bij baby’s zonder schisis. Sommige baby’s maken weinig geluid, steeds hetzelfde geluid of de geluiden klinken anders.

Als ouder kunt u de klankontwikkeling in het eerste jaar wel een beetje stimuleren. Natuurlijk is het niet altijd mogelijk om alles normaal te laten verlopen, aangezien uw kind een andere vorm van de lippen, kaak en/of het gehemelte heeft en het spraakorgaan daardoor anders werkt.

Het feit dat u met uw baby bewust bezig bent met de klanken, is een goede basis voor later als hij echt gaat praten. Het is belangrijk dat u uw baby veel aanmoedigt in het brabbelen. Zo kan hij de bewegingen, die hij nodig heeft bij het praten, vooroefenen.

Door schisis bewegen bij veel baby’s de tong en de lippen anders. Toch is het belangrijk om al vroeg in de ontwikkeling de beweeglijkheid en de bewustwording (ervaringen) van de mond te stimuleren. Dat kan met eenvoudige spelletjes.

Tongspelletjes (vanaf 4 maanden)

  • Laat uw tong veel zien aan uw baby. Misschien is dat even wennen, maar zo geeft u wel het goede voorbeeld.
  • Lok uit tot nadoen: Doe uw tong omhoog/opzij/naar beneden.
  • Smeer iets van een fruithapje of ander smaakje op de lippen. Uw kind zal het misschien aflikken.
  • Bij afhappen van een lepeltje; wacht tot uw baby de lipjes om de lepel sluit. Dus niet de lepel afvegen/afschrapen aan de bovenlip.
  • Extra activiteit voor de tongpunt: probeer er een aanraakspelletje van te maken. Doe net of u de tong wilt pakken of aantikken.

Lipspelletjes

  • Samen blazen en spetteren met de lippen. Laat uw baby u nadoen en doe op uw beurt zijn lipbewegingen na.
  • Raak de lippen van uw baby regelmatig spelenderwijs aan. Bijvoorbeeld met het spelletje ‘Daar komt een muisje aangelopen, zo in …. mondje gekropen’. Raak en beweeg de bovenlip steeds even aan.
  • Geef veel kusjes op de mond van uw baby en lok hem uit dit bij u te doen. Zo mogelijk met een smakgeluidje.
  • Houd een speeltje of een knuffel tegen de lippen aan.

Mimiek

  • Vanaf de geboorte is gezichtsuitdrukking (mimiek) al belangrijk. Een baby gaat na een paar maanden vaak de ouder/verzorger al nadoen. Herhaal maar eens een aantal keren een tongbeweging en misschien ziet u dat uw baby ook met de tong gaat bewegen. Maar ook lachen en verbaasd kijken, kan nadoen uitlokken.
  • Trek gekke gezichten in de spiegel. Masseer met de vingertoppen zachtjes het gezichtje van uw baby, vooral rondom de mond. Maak daarbij ook veel expressie met uw eigen gezicht.
  • Blazen: voor baby’s en kleine kinderen met (maar ook zonder) schisis is blazen moeilijk. Doe het voor, blaas zachtjes in het gezichtje, tegen de haren en kijk of hij het probeert na te doen. Echt blazen lukt vaak pas vanaf 18 maanden.

Algemene spelletjes en activiteiten voor spraak- en taalontwikkeling

  • Herhaal de geluiden die uw kind maakt. Even afwachten (op uw beurt) is hierbij belangrijk.
  • Zing samen kinderliedjes:
       - Begin met woordjes in liedjes te laten aanvullen
       - Ondersteun de liedjes zoveel mogelijk met gebaren en mimiek
  • Kijk samen naar plaatjes en lees samen boekjes.
  • Praat samen over dingen die u ziet in huis, op straat, op de fiets enzovoort. Vertel zelf wat u ziet of doet, maar laat uw kind ook vertellen en ga daar op in. Verbeter het niet, maar geef alleen het goede voorbeeld.
  • Probeer of uw kind opdrachtjes zonder visuele ondersteuning (zoals aanwijzen) kan uitvoeren. Voorbeelden: Waar is je jas? Waar is de bal? Pak de pop! Mag ik het boekje? Geef maar aan opa!
  • Speel met uw kind:
    - Laat uw kind bepalen met welk speelgoed er wordt gespeeld
    - Spreek in korte, voor u misschien kromme zinnen. Zoals: auto rijden, koe lopen, pop ook slapen. De zinnen mogen krom zijn, maar spreek de woorden goed uit.
    - Speel op dezelfde hoogte met uw kind: allebei op de grond of aan tafel. Oogcontact is belangrijk.
  • Benoem wat je doet tijdens dagelijkse handelingen: broek aan, muts op enzovoort.
  • Benoem expres voorwerpen en dergelijke fout. Uw kind verbetert u dan.
  • Maak een boekje met woorden die uw kind kan zeggen met foto’s, plaatjes, tekeningen enzovoort.
  • Verbeter uw kind op een positieve manier. Bijvoorbeeld uw kind zegt ‘Pop gevalt’. U zegt ‘Ja, pop gevallen’. U zegt dus niet ‘Nee, gevallen’.

Spelletjes en activiteiten speciaal voor jonge kinderen met een schisis

  • Bied woorden aan met klanken die voorin de mond gemaakt worden, zoals m, p, b, f (lipbeweging) en l, t, d, n (tongpuntheffing). Maak de klanken iets langer, zodat uw kind tijd heeft om de beweging te zien.
  • Doe het brabbelen en de geluidjes van uw kind na. Wacht totdat hij het herhaalt en doe het dan nog een keer.
  • Als er een beurtwisseling ontstaat, zeg dan woorden met een bepaalde structuur. Eerst een medeklinker en dan een klinker. Voorbeeld: mama, papa, baba, wawa.
  • Zeg woorden bij bepaalde activiteiten. Bijvoorbeeld bij bellenblazen: ‘blazen’, ‘bellen blazen’, pang’, ‘oh, mooi’ enzovoort.
  • Zing liedjes op ‘lalala’, ‘nanana’, ‘dadada’ of ‘tatata’. Dit is ook een goede bewustwordingsoefening voor de tong.
  • Maak klanken bij bepaald speelgoed of plaatjes: Pop eten geven ‘mmmmm’, slang ‘sssss’, auto ‘rrrrrrrr’, schaap ‘beeehhhh’, visje ‘blubblub’, luier ‘bah’ enzovoort.
  • Wissel in volume bij het maken van geluiden/klanken. Lok vooral ook zacht geluid uit om zo de lip- en tongklanken beter te horen. Fluister bijvoorbeeld een woordje.
  • Zeg ‘shhhhhhhhh’ terwijl je het gebaar van stil zijn maakt. Kinderen vinden het leuk om anderen te zeggen stil te zijn.

Mondmotorische spelletjes

Hieronder vindt u verschillende mondmotorische spelletjes die u met uw kind thuis kan doen. Deze spelletjes verminderen het speekselverlies, trainen het zachte gehemelte (zuigoefeningen), zorgen voor bewustwording van het mondgebied en sturen de luchtstroom door de mond (blaas/zuigoefeningen). De spelletjes zijn ingedeeld in verschillende categorieën:  

Algemene tips

  • Oefen alleen als uw kind goed uitgerust is.
  • Oefen zonder te veel afleiding uit de omgeving.
  • Als uw kind snel afgeleid is, speel dan eerst met een speeltje wat uw kind leuk vind. Ga daarna weer verder met oefenen.
  • Stop met uitlokken en proberen, vóórdat uw kind geïrriteerd raakt.
  • Probeer één ding tegelijk.
  • Doe de oefening voor, waarna uw kind het nadoet. Als dit goed gaat, doe dan de oefeningen om de beurt.
  • Uw kind hoeft de oefening de eerste keer niet meteen goed te kunnen. Verbeter waar nodig, maar geef altijd complimentjes.
  • Oefen iedere dag even. Dit werkt beter dan eens in de week een half uur.

Let op

Let bij álle oefeningen altijd op de veiligheid van uw kind.

Blaasoefeningen

  • Blazen tegen een windmolentje.
  • Blazen of uitademen (hhh) tegen een raam/spiegel.
  • De wind naspelen.
  • Confetti/snippertjes of propje papier/watje wegblazen op een gladde tafel.
  • Zeepbellen blazen en in de lucht houden.
  • Met een rietje in een glas water blazen. Wissel af met kleine en grote bellen.
  • Blazen op fluitje, toeter, blokfluit.

Zuigoefeningen

  • Bied een pakje sap aan met een rietje. Knijp zachtjes in het pakje om het zuigen te stimuleren.
  • Tong vastzuigen tegen gehemelte en weer loslaten (klakken).
  • Stukje papier tegen de mond aanzuigen (enkele seconden vasthouden).
  • Papieren figuurtjes met rietje opzuigen uit een doos en deze verplaatsen naar een andere doos.
  • Zuigen op of het eten van een pepermuntje kan de luchtstroom door de mond beter voelbaar maken.

Tongoefeningen

  • Voedsel aflikken van de lippen. Doe een beetje voedsel op de lippen van uw kind. Moedig uw kind aan dit eraf te likken. Laat uw kind met zijn tong bewegingen naar boven, beneden en zijwaarts maken.
  • Klakken met de tong.
  • Tong uitsteken. Spitse tongpunt maken. Dit kan voor de spiegel.
  • Neus en kin proberen aan te raken met de tong.
  • Bij het tandenpoetsen tong even mee poetsen, zijkanten aanraken en tikken op tong.

Lipoefeningen

  • Kusjes geven op papiertje of hand. Smeer een beetje lippenstift op de lippen van het kind. Maak hier ook geluid bij.
  • Stimuleer om de mond gesloten te houden als hij niet praat. Bijvoorbeeld tijdens TV kijken of voorlezen. Houd bijvoorbeeld een plastic muntje, potlood of papiertje tussen de lippen. Gekke bekken trekken (om de beurt, maak er geluid bij en doe dit voor de spiegel).
  • Lippen tuiten en breed maken. Bijvoorbeeld met sirenegeluid ‘oe-ie-oe-ie’.
  • Met de lippen iets van de tafel pakken.
  • Blaas- en zuigoefeningen zijn goede lipoefeningen, omdat de lippen getuit moeten worden.

Contact

Heeft u na het lezen van deze folder nog vragen? Neem dan contact op met:

Logopedie
088 - 624 24 65
secretariaat.logopedie@isala.nl

Laatst gewijzigd 16 november 2022 / 8554