Contact
  1. 5226-Lui oog kind

Er wordt van een lui oog gesproken als de gezichtsscherpte van het oog zonder aantoonbare pathologische afwijkingen en met de juiste brilsterkte niet goed is. Een lui oog (amblyopie) ontstaat doordat er op zeer jonge leeftijd te weinig mee gekeken is.

Omdat het oog niet goed gebruikt is, heeft de gezichtsscherpte zich niet goed kunnen ontwikkelen. Het is niet altijd te merken dat iemand een lui oog heeft. Het goede oog vangt het namelijk op. Als de orthoptist en de oogarts de ogen van uw kind hebben onderzocht en hebben geconstateerd dat uw kind een lui oog heeft, dan leest u hier meer informatie over de behandeling.

Hoe ontstaat een lui oog?

De meest voorkomende oorzaken zijn:

  • Scheelzien; als scheelzien al op jonge leeftijd ontstaat, is er zelden sprake van dubbelzien. Het dubbelbeeld wordt in de hersenen onderdrukt. Als het beeld van hetzelfde oog enige tijd achter elkaar wordt onderdrukt, dan ontwikkelt het scherp zien van het oog zich niet goed (zie ook de folder Scheelzien).
  • Een afwijking van de oogsterkte; is een oog nooit een scherp beeld heeft gekregen, heeft het oog niet goed scherp leren kijken. Met bril ziet het oog dan nog te weinig. Als de ogen daarbij niet scheelzien, is er van het luie oog dus niets te zien.
  • Een combinatie van scheelzien en een afwijking van de oogsterkte is ook mogelijk.
  • Organische afwijking enkele voorbeelden hiervan zijn een hangend ooglid (ptosis), een troebeling van de ooglens.

Is behandeling nodig?

Wordt het luie oog veroorzaakt door een brilafwijking of een organische afwijking, dan zal deze oorzaak eerst behandeld moeten worden. In geval van een brilafwijking zal de orthoptist zo nodig een bril voorschrijven. In geval van een organische afwijking van het oog zal de oogarts u adviseren over de mogelijkheden van behandeling. Hierna kan begonnen worden met de behandeling van het luie oog door de orthoptist.

Een kind heeft zelf meestal geen last van een lui oog. Het goede oog doet immers alles. Toch is het belangrijk dat een lui oog behandeld wordt.

  • Als het luie oog niet behandeld wordt en er later iets met het goede oog gebeurt, is er grote kans op ernstige slechtziendheid.
  • Twee ogen samen kunnen vaak scherper zien dan één oog alleen. Als het luie oog beter gaat zien en er is samenwerking tussen de ogen dan gaan de twee ogen samen vaak ook beter diepte zien. Echter als er constant scheelzien aanwezig is zal er geen samenwerking en dieptezien aanwezig zijn.

Hoe eerder het luie oog behandeld wordt, hoe meer kans op twee ogen die scherp zien en goed samenwerken.

Hoe wordt het luie oog behandeld?

Er zijn twee mogelijkheden:

Pleister: Het luie oog wordt behandeld door een pleister op het goede oog te plakken. Het luie oog wordt dan gedwongen om zelf te gaan kijken. Hierdoor leert het beter zien. Hoe lang de pleister elke dag op moet, kan verschillen van vijftien minuten per dag tot de hele dag. Dit is afhankelijk van de leeftijd van het kind, hoe lang het luie oog al bestaat, en hoe slecht het luie oog ziet.

Zo’n pleister is niet leuk, maar doorzetten is echt de moeite waard. De orthoptist kan u en uw kind hierbij helpen. Mocht het afplakken echt niet lukken, dan zijn er nog de mogelijkheden van oogdruppels, of plakken op de bril. Deze mogelijkheden werken alleen als het luie oog minimaal vijftig procent ziet.

Bril: Bij een duidelijke oogsterkte afwijking adviseert de orthoptist meestal ook een bril.

Heeft een kind veel last van de behandeling?

Dit hangt ervan af hoe slecht het luie oog ziet, en hoe oud uw kind is. Uw kind moet er eerst aan wennen dat het beeld aan één kant weg is en dat hij of zij slechter kan zien. Pas de eerste dagen op dat uw kind niet van de trap valt en nergens tegenaan loopt. Laat uw kind ook niet meteen fietsen met de pleister op. Meestal zijn kinderen echter snel gewend aan het ‘anders’ kijken en redden ze zich prima met een pleister op.

Als uw kind al wat ouder is, worden er meer eisen aan de ogen gesteld. Uw kind zou zo slecht kunnen zien met de pleister op, dat het op school niet goed mee kan komen. Overleg dan met de orthoptist of er misschien buiten schooltijd geplakt kan worden.

Zitten er risico’s aan de behandeling?

Ja. Bij heel jonge kinderen moet u oppassen dat ze de pleister niet in de mond stoppen. Ze zouden kunnen stikken.

Een ander risico is dat door het afplakken een verborgen neiging tot scheelzien kan overgaan in echt scheelzien. Uw kind kan dan na het afplakken even heel scheel kijken en soms ook last hebben van dubbelzien. Als dat maar een paar minuten duurt, kan het geen kwaad. Als het steeds langer duurt, neem dan contact op met de orthoptist. Waarschijnlijk is het dan beter om op een ander tijdstip of korter te plakken.

Soms is het scheelzien niet tegen te houden en wordt het steeds erger. In dat geval is uiteindelijk een oogspieroperatie nodig om de oogstand weer goed te krijgen. Er is ook een risico dat het goede oog minder gaat zien. Daarom houdt de orthoptist ook het goede oog in de gaten. Meestal verbetert het zicht van het goede oog weer als het plakken wordt afgebouwd.

Controle

In de meeste gevallen lukt de behandeling goed en gaat het luie oog steeds scherper zien. Wel is het vaak nodig om jarenlang door te gaan met de behandeling. Ook als het oog al goed ziet, moet het plakken nog een tijd doorgaan, om te voorkomen dat het oog opnieuw lui wordt.

Bij scheelzien is er soms nog een oogspieroperatie nodig om de ogen recht te zetten. Meer informatie hierover vindt u in de folder Scheelzienoperatie bij kinderen.

Om de paar maanden controleert de orthoptist hoe het gaat. Ook houdt de orthoptist de brilsterkte in de gaten. De controles gaan vaak door tot het tiende jaar.

Contact

Heeft u nog vragen, dan kunt u bellen met de polikliniek Oogheelkunde. Het kan handig zijn om uw vragen van tevoren op papier te zetten. Voor vragen kunt u ons ook mailen: poli.oogheelkunde@isala.nl.

Zwolle of Kampen       

Oogheelkunde
(038) 424 30 40 (bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 17.00 uur)
poli.oogheelkunde@isala.nl

Meppel of Steenwijk

Oogheelkunde
(0522) 23 38 05 (bereikbaar op maandag, dinsdag en woensdag van 8.30 tot 16.00 uur en op donderdag en vrijdag van 8.30 tot 12.00 uur en 14.00 tot 16.00 uur)

Kunt u niet komen? Laat het ons snel weten, dan maken wij een nieuwe afspraak.

10 december 2018 / 5226

Voor specifieke vragen aan een afdeling, ga naar de contactpagina. U kunt ook kijken bij de meestgestelde vragen.