ISALA

Weergave

Om u de beste leesbaarheid te bieden, kunt u hier het lettertype en de achtergrondkleur naar wens aanpassen.

Lettertype


Achtergrond

Zwangerschapsdiabetes

Informatie voor zwangeren met zwangerschapsdiabetes

Veelal ontstaat zwangerschapsdiabetes tussen de 24e en 28e zwangerschapsweek. Deze vorm van diabetes is na beëindiging van de zwangerschap weer over. Hier geven wij u informatie rondom zwangerschapsdiabetes. Wat is het, hoe wordt het geconstateerd, wat betekent het voor u?

Wat is zwangerschapsdiabetes?

Wat is diabetes?

Bij diabetes is de regeling van de bloedsuikerspiegel (suiker) in het bloed verstoord. De hoeveelheid suiker (glucose) in het bloed wordt geregeld door het hormoon insuline. Onder invloed van insuline wordt het voor lichaamscellen mogelijk glucose op te nemen. Er is sprake van diabetes wanneer in het laboratorium is vastgesteld dat de glucosewaarde (hoeveelheid glucose in het bloed) te hoog is. Bij een zwangerschap is het van belang dat de glucosewaarde zo veel mogelijk binnen normale waarden blijft.

Wat is zwangerschapsdiabetes?

Tijdens de zwangerschap heeft u meer insuline nodig om de suiker uit uw voeding te verwerken. Dit komt mede door verandering in de hormoonhuishouding. Soms kan de alvleesklier deze verhoogde vraag naar insuline niet meer aan en heeft dit te hoge bloedsuikers tot gevolg. Dan spreen we van zwangerschapsdiabetes. Meestal treedt dit pas op na de twintigste week van de zwangerschap. Ongeveer een op de vijftien zwangere vrouwen krijgt zwangerschapsdiabetes. 

Zwangerschapsdiabetes kan iedere zwangere vrouw overkomen, maar u heeft meer kans op zwangerschapsdiabetes:

  • als u overgewicht heeft
  • als u een 1e graads famielid heeft met diabetes
  • als u van Hindoestaanse, Marokkaanse of Turkse afkomst bent
  • als zwangerschapsdiabetes heeft gehad tijdens een eerdere zwangerschap
  • als u eerder een kind heeft gekregen met een geboortewicht van 4000 gram of meer

Signalen van zwangerschapsdiabetes zijn:

  • erge dorst, in het bijzonder ’s nachts
  • veel plassen
  • uw kind is duidelijk veel groter dan normaal voor dat moment in de zwangerschap

Maar meestal zijn er geen symptomen en merkt u er niets van. 

Gevolgen zwangerschapsdiabetes

Normaal gesproken vangt het lichaam de verminderde werking van insuline op door extra insuline aan te maken. Bij zwangerschapsdiabetes gebeurt dat niet of onvoldoende. Daardoor wordt de glucosewaarde in het bloed te hoog. Meestal ondervindt u daar op korte termijn zelf nog geen klachten van. Het is echter wel belangrijk de bloedglucosewaarden zo normaal mogelijk te houden met het oog op de ontwikkeling van het ongeboren kind.

Gevolgen voor het kind

Het kind krijgt via de placenta voedingsstoffen uit het bloed van de moeder. Een te hoge glucosewaarde bij de moeder leidt direct tot een verhoogde toevoer bij het kind. Dit kan de groei van het kind zodanig beïnvloeden dat er een grotere kans op een verhoogd geboortegewicht (macrosomie) bestaat. Daarnaast kunnen sterke schommelingen in de bloedsuikerspiegel tot gevolg hebben dat de rijping van de longen bij de baby langzamer verloopt. Een te hoog geboortegewicht kan tijdens de bevalling voor extra problemen zorgen. Verder zijn er aanwijzingen dat kinderen met een te hoog geboortegewicht een groter risico hebben om later in het leven zelf diabetes te ontwikkelen.

Hoge glucosespiegels tijdens de laatste periode van de zwangerschap leiden bij het kind tot een verhoogde insulineafgifte. Wanneer na de bevalling de toevoer van glucose vanuit de placenta wegvalt, heeft het kind in dat geval een groter risico op het krijgen van een te lage bloed­ glucosewaarde, wat problematisch kan zijn voor het kind. Een goede en tijdige verbetering van de bloedglucosewaarden bij de moeder kan deze risico's verkleinen.

Gevolgen voor de moeder

Zwangerschapsdiabetes is een waarschuwing voor de toekomst. De kans op het krijgen van blijvende diabetes in de eerste tien jaar na uw zwangerschap is veertig tot vijftig procent hoger dan bij vrouwen die tijdens de zwangerschap geen diabetes hebben gehad. Bovendien ontstaat bij een volgende zwangerschap bijna altijd opnieuw diabetes. U kunt de kans op diabetes zo klein mogelijk houden door:

  • een gezond gewicht (passend bij uw leeftijd en lichaamsbouw)
  • voldoende lichaamsbeweging
  • een gezond voedingspatroon.

Het is dus van belang om zo gezond mogelijk te leven. Daarmee vermindert u de kans op diabetes.

Onderzoek

Om al deze redenen is het goed dat er bij u onderzoek gedaan is/wordt op het bestaan van zwangerschapsdiabetes. Dit onderzoek wordt een glucosetolerantietest genoemd. Meestal vindt de eerste test plaats in de 24e tot de 28e week van de zwangerschap. Mocht u eerder zwangerschapsdiabetes hebben gehad of is er een te snelle groei van het kind in vergelijking met de duur van de zwangerschap vastgesteld, dan wordt er vanaf de zestiende week onderzoek gedaan. In enkele gevallen wordt de test ook nog later in de zwangerschap gedaan.

Op grond van de uitslag van uw glucosemeting is vastgesteld dat u zwangerschapsdiabetes heeft en bent u doorverwezen naar de diabetespolikliniek.

Glucosemeting

Om vast te stellen of u zwangerschapsdiabetes heeft, wordt bij het Diagnosepunt een glucosemeting of glucosetolerantietest uitgevoerd. Het Diagnosepunt is gevestigd aan de Spanjaardweg 29, gebouw A, te Zwolle.

Voorbereiding

Zo kunt u zich voorbereiden op de test:

  • Maak een afspraak voor de test via telefoonnummer (038) 424 24 68 (bereikbaar tijdens kantooruren).
  • Neem het aanvraagformulier dat u van uw huisarts, verloskundige of gynaecoloog heeft gekregen mee naar uw afspraak.
  • Eet vanaf drie dagen voor de test voldoende koolhydraten. Dat betekent dat u dagelijks ten minste 180 gram koolhydraten gebruikt. Dit zijn ongeveer zes boterhammen, vier aardappelen, twee porties fruit en drie melkproducten per dag. Is dit meer dan u normaal eet, dan hoeft u niet extra veel te gaan eten, maar voorkom dat u de dagen voor de test minder eet dan normaal.
  • Op de dag van de test moet u nuchter komen. Dat betekent dat u vanaf acht uur vóór de test niets meer mag eten. U mag wel water en thee zonder suiker drinken.

Verloop van het onderzoek

De test duurt minimaal een kwartier en maximaal twee en een half uur. Hieronder staat het onderzoek stap voor stap beschreven:

  • Een medewerker van de bloedafname neemt een buisje bloed af uit uw arm. Dit wordt direct onderzocht.
  • Na een kwartier hoort u de uitslag. Tijdens het onderzoek/de wachttijd mag u niet eten, drinken en roken. Alleen een beetje water (maximaal 1 glas) is toegestaan. Blijf tijdens het wachten in de wachtruimte van het laboratorium, voor het geval u onwel wordt.
  • Vaak wordt u nogmaals getest. Voorafgaand aan de tweede test krijgt u een glas water waarin 75 gram glucose (suiker) is opgelost, te drinken. Deze oplossing is erg zoet en u kunt er misselijk van worden. Deze klachten gaan meestal binnen een half uur over. Twee uur nadat u de glucoseoplossing heeft ingenomen, wordt opnieuw bloed afgenomen.

Uitslag onderzoek

U krijgt direct de uitslag. Er zijn twee mogelijkheden:

  • U heeft geen zwangerschapsdiabetes. Er is geen aanleiding om u op dit moment tijdens uw zwangerschap extra onder controle te houden. U krijgt een formulier van het laboratorium mee. Deze kunt u inleveren bij uw huisarts, verloskundige of gynaecoloog die dit onderzoek voor u heeft aangevraagd. Met vragen kunt u ook bij hen terecht.
  • U heeft zwangerschapsdiabetes. U krijgt een afspraak mee - of wordt verzocht zelf zo snel mogelijk een afspraak te maken - bij het Isala Diabetescentrum. Van de medewerker van het Diagnosepunt krijgt u een formulier mee dat u kunt inleveren bij het Diabetescentrum. Bij het Diabetescentrum krijgt u van een diabetesverpleegkundige een korte uitleg over de uitslag en voorlopige leefstijladviezen. Ook worden er afspraken met de internist en de diëtist voor u gemaakt. 

Behandeling tijdens zwangerschap

De behandeling is afhankelijk van de waarden die na het onderzoek middels zelf meting van de bloedglucosewaarden worden gevonden. In de meeste gevallen volstaat een aanpassing van uw voedingspatroon in overleg met de diëtiste. In een deel van de gevallen zijn insuline-injecties nodig om de gewenste bloedglucosewaarden te bereiken.

Bloedglucosemeter

Na doorverwijzing heeft u een gesprek met de diabetesverpleegkundige. Deze geeft kort uitleg over de uitslag van uw bloedonderzoek en bespreekt een deel van uw vragen. Om een goed beeld te krijgen van uw glucosewaarden is het de bedoeling dat u zelf uw bloedglucosewaarden gaat bepalen met een bloedglucosemeter op een aantal momenten op de dag.

U krijgt een bloedglucosemeter mee naar huis. De diabetesverpleegkundige legt uit hoe u deze moet gebruiken en hoe vaak u de waarden van uw bloedsuikerspiegel moet mailen of doorbellen naar de diabetesverpleegkundige (meestal één keer per week). Ook heeft u een afspraak bij de internist en/of physician assistant. Hij zal verdere informatie geven over diabetes en de behandeling. Dit zal doorgaans in een groepscontact plaats hebben. Het meten van de bloedglucosewaarde kan als belastend worden ervaren. U moet er immers tijdens uw dagelijkse werkzaamheden rekening mee houden. Toch is het de bedoeling dat u het meten zo veel mogelijk inpast in uw normale activiteiten.

Diëtiste

De diëtiste bespreekt met u uw voedingspatroon en geeft adviezen om de bloedglucosewaarden binnen normale waarden te krijgen en/of houden. De diëtiste leert u over de samenstelling van voedingsmiddelen, zodat u een inschatting kunt maken van een gelijkmatige verdeling van de glucosebelasting bij de verschillende maaltijden. U krijgt uitleg over koolhydraten, waaruit het lichaam glucose aanmaakt. Het blijft van groot belang dat u niet alleen gezonde maar ook voldoende voeding blijft gebruiken met het oog op een goede ontwikkeling van uw zwangerschap. Ook dit contact heeft doorgangs plaats in het eerder genoemde groepscontact.

Insuline-injecties

Als het voedingsadvies van de diëtist niet leidt tot de gewenste bloedglucosewaarden, zal de internist of physician assistant worden ingeschakeld. U krijgt dan insuline­injecties voorgeschreven. Als zich dit voordoet, krijgt u daarover uitleg van de internist en de diabetesverpleegkundige. Bij het gebruik van insuline bestaat een kleine kans dat uw bloedglucose lager wordt dan eigenlijk de bedoeling is; dit wordt een 'hypo' genoemd. Hoewel lage waarden minder schadelijk zijn dan te hoge waarden, kunnen zij er wel voor zorgen dat u zich akelig voelt, draaierig wordt of zelfs flauwvalt. Uw diabetesverpleegkundige en diëtist zullen u uitleggen hoe u dan moet handelen.

Zwangerschapscontroles

Als het lukt om met een aangepast dieet normale glucosewaarden te houden, dan kunt u - als u bij een verloskundige onder controle bent - bij de verloskundige blijven en desgewenst thuis bevallen. Heeft u tijdens de zwangerschap insuline­injecties nodig, dan is dit een reden (indicatie) om de zwangerschapscontroles en de bevalling in het ziekenhuis te laten plaatsvinden, onder begeleiding van een verloskundig zorgverlener (dit kan een gynaecoloog, arts in opleiding of klinisch verloskundige zijn, waarvan de laatsten altijd onder supervisie van een gynaecoloog werken). 

Behandeling tijdens bevalling

U gebruikt geen insuline

Als u tijdens de zwangerschap de glucosewaarden zonder insuline binnen de normale grenzen heeft kunnen houden, zal ook de bevalling meestal zonder extra problemen verlopen. U hoeft dan niet vroegtijdig te bevallen en u mag desgewenst thuis bevallen. Er gelden in de regel ook geen specifieke adviezen rond de bevalling met betrekking tot het zelf meten van bloedglucose waarden.

U gebruikt insuline

Als u onder controle bent in het ziekenhuis omdat u insuline gebruikt of omdat uw kind een hoog geboortegewicht heeft, wordt om de vier weken een groei-echo gemaakt. De bevalling zal dan doorgaans voor de uitgerekende datum gestart worden, zo rond 38 weken. Wanneer u insuline gebruikt, bent u gewend om dit vóór de maaltijden toe te dienen. Tijdens de bevalling eet u meestal niet meer. Hierdoor kan uw bloedsuikerspiegel tijdens de bevalling sterk schommelen. U hoeft op dat moment geen insuline meer te spuiten. Wel moet u ieder uur uw bloedglucosewaarde meten. Ook de medewerkers van de afdeling Verloskunde zullen u goed in de gaten houden.

Mocht het nodig zijn, dan kan er tijdens de bevalling altijd overleg plaatsvinden met de diabetesverpleegkundige of dienstdoende internist, ook buiten kantooruren. In een enkel geval kan ervoor gekozen worden een infuus aan te leggen om u glucose en insuline te kunnen toedienen, maar meestal zal de inname van wat limonade of een injectie insuline volstaan. De conditie van de baby wordt tijdens de bevalling gecontroleerd door bewaking van het hartritme via een cardiotocogram (CTG). Als de baby een hoog geboortegewicht heeft, kan de bevalling moeizamer verlopen; bij onvoldoende vordering van de baring kan tot een keizersnede besloten worden.

Behandeling na de bevalling

Behandeling van het kind

Wanneer na de bevalling de toevoer van glucose vanuit de placenta wegvalt, bestaat het risico dat er bij uw kind een te lage bloedglucosewaarde ontstaat. Om dit te controleren zal na de geboorte de bloedsuikerspiegel van uw baby verschillende keren worden bepaald. Er kan besloten worden extra bijvoeding te geven om dit probleem te voorkomen. Mocht het nodig zijn, dan kan de kinderarts bij uw baby een infuus met glucose aanleggen en zal uw baby opgenomen worden op de kinderafdeling.

Als de longen van uw baby nog niet helemaal rijp zijn, kan de ademhaling na de geboorte moeilijk op gang komen. In dat geval heeft de baby extra ondersteuning nodig van de ademhaling door toediening van zuurstof. Ook dan zal uw baby op de kinderafdeling worden opgenomen.

Behandeling van de moeder

In de meeste gevallen zal 24 uur na de bevalling de bloedsuikerspiegel weer normaal zijn. Als u tijdens de zwangerschap insuline­injecties heeft gebruikt, kunt u daar meestal na de bevalling mee stoppen. Doe dit in overleg met de internist of diabetesverpleegkundige. Wij raden u aan om in de week na de bevalling uw bloedglucosewaarde te meten, en nog een keer na drie weken.

Zes tot acht weken na de bevalling heeft u nog een controleafspraak bij de internist en dan meet u vlak daarvoor voor de laatste keer. Wanneer er geen problemen meer zijn met de glucosewaarden, krijgt uw huisarts hiervan bericht. Ook vragen wij uw huisarts om u in de gaten te houden vanwege het risico op het krijgen van diabetes in de toekomst. Daarnaast raden we u aan om eens per jaar uw glucosewaarde bij de huisarts te laten controleren.

Een volgende zwangerschap

Bij een eventuele nieuwe zwangerschap wordt een glucoseprovocatietest eerder in de zwangerschap gedaan, vanaf ongeveer de zestiende week. Levert deze test nog geen te hoge waarden op, dan wordt de test tussen de 24 en 28 weken herhaald.

Contact

Over Diabetes

Mocht u vragen hebben of uw bloedglucosewaarden willen doorgeven, dan kunt u contact opnemen met een van de diabetesverpleegkundigen. Op werkdagen houden zij telefonisch spreekuur van 8.00 - 8.30 uur en van 12.30 - 13.00 uur, (038) 424 21 50. U kunt ook mailen naar diabetesverpleegkundigen@isala.nl.

Als u vragen heeft over de test, kunt u bellen naar de huisartsenlijn van het Klinisch chemisch laboratorium. Bereikbaar van maandag tot en met vrijdag tussen 7.30 en 17.00 uur, via (038) 424 24 68.

Over uw zwangerschap

Heeft u na het lezen van deze informatie nog vragen of wilt u meer informatie, vraag dan uw verloskundig zorgverlener gerust om uitleg. Wij raden u aan uw vragen op papier te zetten. U kunt ook telefonisch contact opnemen met een van onze medewerkers van polikliniek Gynaecologie/Verloskunde, (038) 424 3555.

Heeft u binnenkort een afspraak? Dan vindt u tijd en plaats waar u verwacht wordt in uw afspraakbevestiging.

Bent u ongerust of heeft u vragen (buiten kantoortijden) die niet kunnen wachten? Bel dan het spoednummer: (038) 424 81 61.

This leaflet is also available in English: 'Gestational diabetes' (see below).​


15 november 2017 5857 Nee Nee

Stuur door

Door onderstaande invulvelden in te vullen, stuurt u deze informatie gemakkelijk door.
Aan emailadres*
   
Uw naam Uw emailadres*
   
Bericht