Contact
  1. 5355-Verwijdering van een blaastumor via de plasbuis (TURT)
Punt Coronavirus (COVID-19) Bent u patiënt, begeleider of bezoeker? Hier vindt u belangrijke informatie over uw bezoek aan Isala.

Bij een transurethrale resectie van een blaastumor wordt via een operatie een tumor in de blaas verwijderd. Deze ingreep wordt TURT genoemd: transurethrale resectie van een tumor. Transurethraal betekent dat de operatie via de plasbuis (urethra) wordt uitgevoerd, dus via de natuurlijke weg. Resectie wil zeggen dat de tumor wordt weggesneden met een stalen lisje waardoor stroom wordt geleid.

Informatie over de operatie

Er zijn twee soorten blaastumoren:

  • oppervlakkig groeiende tumoren (ontstaan in het blaasslijmvlies). Deze groeien niet in de spierwand.
  • spierinvasief (= binnendringend) groeiende tumoren die zich wel tot in de spierwand uitbreiden.

TURT is een geschikte behandeling voor beide soorten tumoren. In het eerste geval is TURT een afdoende behandeling. Bij spierinvasief groeiende tumoren, is na de TURT nog verdere behandeling noodzakelijk. Denk aan een operatie of een bestraling. Een blaastumor moet worden verwijderd omdat deze groter kan worden, bloedingen kan veroorzaken en invasief kan worden.

De ingreep vindt plaats onder algehele verdoving (narcose) of onder plaatselijke verdoving. Bij een plaatselijke verdoving krijgt u een ruggenprik. Hoewel er geen uitwendig zichtbare wond is, moet u de ingreep toch als een 'echte' operatie zien.

Voorbereiding

Nadat u met uw arts heeft besproken dat u wordt geopereerd, krijgt u een afspraak voor een preoperatief onderzoek. Meer informatie over dit onderzoek en de opname leest u in de folder Opname in Isala.

Oproep voor operatie

Zodra uw operatie gepland staat, ontvangt u hierover schriftelijk bericht van onze planningscoördinator. Een week vóór uw operatie, belt onze collega het tijdstip van de opname door.

  • Bent u telefonisch niet bereikbaar? Dan ontvangt u opnieuw schriftelijk bericht.
  • Heeft u vragen over uw opname? Bel dan 088 624 24 36.
  • Gebruikt u bloedverdunnende medicijnen? De afdeling Preoperatief onderzoek
    informeert u óf en wanneer u hiermee moet stoppen.

Opname

Meldt u zich op de afgesproken tijd bij de Centrale balie in de Centrale hal van het ziekenhuis. Een gastheer of -vrouw brengt u daarna naar de verpleegafdeling. Daar heeft u een gesprek met een verpleegkundige over de gang van zaken op de afdeling. De verpleegkundige begeleidt u zo veel mogelijk tijdens uw opname.

Voorbereiding op de operatie

  • Voorafgaand aan uw operatie krijgt u medicijnen. Deze zijn door de anesthesioloog voorgeschreven.
  • Zodra u aan de beurt bent, brengt een verpleegkundige u naar de operatiekamer.
  • U ontmoet hier de anesthesioloog. U heeft hem of een van zijn collega’s ook al gesproken bij het preoperatief onderzoek. Lees ook de folder Algehele anesthesie (narcose)   

Operatie

  • Nadat de anesthesioloog de verdoving heeft toegediend, begint de uroloog met de operatie.
  • U ligt op uw rug met uw benen opgetrokken in beensteunen.
  • De uroloog brengt een hol instrument in de plasbuis tot in de blaas, om de blaas te bekijken. En de tumor te verwijderen.
    Ook de andere instrumenten om te opereren, brengt hij via dit holle buisje in de blaas.
  • De tumor wordt verwijderd met een stalen lisje, waardoor elektrische stroom gaat.
  • De tumor wordt laag voor laag afgeschraapt tot in het gezonde weefsel.
  • Er ontstaat dus een inwendige wond in de blaas.
  • De blaas wordt steeds tot ontplooiing gebracht door een spoelvloeistof in de blaas te brengen.
  • Tussendoor wordt de blaas geleegd, waarbij de losgemaakte deeltjes van de tumor mee naar buiten komen.
  • Kleine bloedinkjes worden dichtgeschroeid met het stalen lisje.
  • Na verwijdering van de tumor wordt de blaas nogmaals goed gespoeld.
  • Er wordt een katheter achtergelaten in de blaas, omdat de urine na afloop meestal bloederig is.

Nazorg

Na de operatie wordt u naar de verkoeverkamer (recovery of uitslaapkamer) gebracht. Hier verblijft u totdat u weer goed wakker bent en/of de verdoving is uitgewerkt.

Herstel                                                                      

  • Zodra u weer op de verpleegafdeling bent, begint de periode van herstel.
  • Op de operatiedag controleert de verpleegkundige regelmatig uw bloeddruk, pols en temperatuur.
  • Ook bespreekt de verpleegkundige elke dag met u de verpleegkundige zorg.
  • Dagelijks krijgt u een injectie (Fraxiparine) om trombose (bloedstolling) te voorkomen. Deze prik krijgt u totdat u weer naar huis gaat.
  • Dagelijks komt de uroloog of zijn assistent bij u langs om te kijken hoe het met u gaat en om eventuele vragen te beantwoorden.   

Pijn

De verpleegkundige vraagt een paar keer dag hoeveel pijn u heeft. Zo hebben wij een duidelijk beeld van de hoeveelheid pijn die u heeft. En kunnen wij daar op inspelen. Meer informatie over pijnbestrijding en pijnregistratie leest u in de folder Pijnbestrijding en pijnregistratie.                                                                                                               

Ontslag

  • De katheter blijft gewoonlijk een dag tot enkele dagen in de blaas. Dit zorgt voor een goede urineafvoer. Ook kan de blaas eventueel worden gespoeld. Bijvoorbeeld als er stolsels in zitten.
  • De urine is meestal rood gekleurd.
  • Als uw urine weer helder is, kan de katheter worden verwijderd. Meestal is dit één tot twee dagen na de operatie.
  • Zodra het plassen weer goed op gang is gekomen, mag u weer naar huis.
  • De blaaskatheter wordt verwijderd, als de urine weer bijna of helemaal helder is.
  • Nadat de katheter is verwijderd, kan een aantal dingen anders zijn dan u gewend bent:
    • U kunt wat urine verliezen.
    • Er kan nog wat bloed in uw urine zitten.
    • Soms kunt u niet plassen, terwijl u wel aandrang heeft.
    • Het plassen kan met kleine beetjes gaan en kan pijnlijk zijn.

Dit is normaal en gaat voorbij. Wanneer u denkt dat het afwijkend is, waarschuw dan de verpleegkundige.

Instructies voor een goed herstel

Specifieke leefregels

  • U kunt gerust wandelen.
  • Na twee weken mag u weer fietsen.
  • De eerste twee weken mag u geen zware arbeid doen; til niet zwaarder dan vijf kilo en niet persen.
  • Uw urine kan tot ongeveer zes weken na de operatie af en toe wat bloederig zijn. Dit komt omdat de korstjes op het wondgebied in de blaas loslaten.
  • Het is belangrijk dat u goed drinkt: twee tot drie liter per dag. Tenzij u het advies heeft gekregen minder te drinken.
  • Ook raden wij u aan om vezelrijk te eten. Zo blijft uw ontlasting soepel en hoeft u niet te persen.
  • Wanneer kunt u weer werken? Dat is afhankelijk van uw conditie en het soort werk dat u doet.
  • Sporten en zwemmen mag weer na twee weken, nadat u op controle bent geweest.
  • Regel eventueel de eerste twee weken na uw operatie hulp bij zwaardere huishoudelijke taken. Dit kunt u aanvragen via het WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) in uw gemeente.

Voeding

U mag alles eten en drinken, zoals u thuis gewend bent.

Pijnbestrijding

  • Paracetamol: vier keer per dag 1.000 mg. Slik de pijnstillers op vaste tijden: 8.00-12.00-17.00-22.00 uur. Heeft u geen pijn meer?Dan kunt u de Paracetamol afbouwen.
  • Het kan zijn dat uw arts u ook andere medicijnen tegen de pijn adviseert (naast Paracetamol). 

Bloedverdunnende medicijnen (indien van toepassing)

  • Gebruikt u bloedverdunnende medicijnen? Uw arts en/of eventuele trombosedienst geeft aan u door wanneer u deze weer mag gebruiken.
  • Eventuele nieuw voorgeschreven medicijnen kunt u ophalen bij de ziekenhuisapotheek of uw eigen apotheek. De verpleegkundige geeft u hier informatie over.

Controle

  • Volgens afspraak komt u op controle bij uw uroloog.
  • Uw uroloog informeert u over de resultaten van het weefselonderzoek. Dit microscopisch onderzoek geeft uitsluitsel over de soort tumor (oppervlakkig groeiend of invasief), die bij u is verwijderd.
  • Ook bespreekt de uroloog met u of nader onderzoek en/of behandeling nog noodzakelijk is.
  • In ieder geval zal steeds na enige maanden opnieuw in de blaas gekeken moeten worden. Zo kunnen wij controleren of er geen nieuwe blaastumoren zijn gevormd.
  • Ook hierna blijft u onder controle, omdat blaastumoren kunnen terugkeren.

Risico’s en complicaties

  • Tijdens de operatie kan er een gat in de blaas ontstaan (perforatie). Dit hangt samen met de grootte en plaats van de blaastumor. De spoelvloeistof die tijdens de operatie wordt gebruikt, kan dan buiten de blaas komen, waarna de operatie wordt beëindigd om verdere lekkage te voorkomen. Een klein gaatje in de blaaswand sluit vanzelf, soms moet daarvoor de katheter dan wat langer blijven zitten. Bij een grote perforatie is soms een openbuikoperatie nodig om het weggelekte vocht te verwijderen en het gat te sluiten. Deze complicatie is heel zeldzaam.
  • Na de operatie kan een blaasbloeding optreden met mogelijk bloedverlies en stolselvorming tot gevolg. Meestal stopt zo’n bloeding spontaan als er goed gespoeld wordt via de blaaskatheter. Soms is het nodig opnieuw in de blaas te kijken om de bloeding te stoppen. Dit gebeurt dan onder narcose of een ruggenprik.
  • Een andere complicatie die na de operatie kan optreden, is een urineweginfectie die gepaard gaat met koorts. Meestal kan deze goed worden behandeld met antibiotica. Nog weken na de operatie kan een ontsteking optreden, die zich bij mannen soms uit als een bijbalontsteking. Normaal gesproken is zo’n ontsteking afdoende te behandelen met antibiotica.
  • Bij mannen is het mogelijk dat er langere tijd na de operatie een vernauwing van de plasbuis ontstaat. Soms is hiervoor een nieuwe operatieve ingreep noodzakelijk.

Wanneer moet u contact opnemen?

Neem contact op met het ziekenhuis als:

  • u duidelijk bloedstolsels plast of het bloedverlies niet vermindert.
  • u niet meer kunt plassen of het gevoel heeft niet goed uit te kunnen plassen.
  • u continu aandrang heeft/weinig plast/brandende pijn heeft bij het plassen.
  • u koorts (boven 38,5 graden) heeft.
  • u toenemende pijn heeft ondanks de medicijnen tegen de pijn.
  • u last heeft van verstopping (obstipatie); u heeft langer dan drie dagen geen ontlasting.
  • u iets niet vertrouwt.

Contact

Heeft u nog vragen, dan kunt u bellen met de locatie waar u onder behandeling bent:

Zwolle en Kampen

Urologie
088 624 27 40 (bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 17.00 uur)

Meppel

Urologie
088 624 96 33 (bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 8.00 tot 16.30 uur)

Kunt u niet komen? Laat het ons snel weten, dan maken wij een nieuwe afspraak.

Verantwoording

Bij het schrijven van deze informatie heeft Isala gebruikgemaakt van een brochure van de Nederlandse Vereniging voor Urologie.

Laatst gewijzigd 30 maart 2022 / 5355