Contact
  1. 7260-Schildklierkanker (PID): H3 Onderzoeken en diagnose

Patiënten Informatie Dossier

​Onderzoeken bij schildklierkanker

Heeft u een knobbel in uw hals of schildklier, dan kan de chirurg, internist-endocrinoloog of een ander medisch specialist een aantal onderzoeken voorstellen. Dat kan een herhaling van echografie van de hals zijn. Een ander belangrijk onderzoek om vast te stellen of de knobbel wel of geen kanker is, is een cytologische punctie van de schildklier. Vaak wordt dat met behulp van een echografie van de hals verricht. De echografie kan worden gebruikt om de plaats van een punctie te bepalen. Dit heet een echogeleide punctie.

Zowel tijdens het stellen van de diagnose als tijdens behandeling en follow up zal er bloedonderzoek plaatsvinden. Soms kan een MRI van de hals nodig zijn om meer duidelijkheid te geven over de aard van de schildklierafwijking. Ook zijn er een aantal onderzoeken mogelijk op de afdeling Nucleaire geneeskunde. Deze onderzoeken worden niet uitgevoerd om de diagnose te kunnen stellen maar zullen pas plaatsvinden na een operatie. Welk onderzoek voor u van toepassing is, verschilt per situatie. Uw behandelend arts vertelt u dat in een persoonlijk gesprek.

Echografie van de hals

Een echografie is een onderzoek waarbij geen gebruik gemaakt wordt van röntgenstralen, maar van geluidsgolven. Dit zijn geluidsgolven met een zeer hoge frequentie. Zo hoog dat ze voor het menselijk oor niet hoorbaar zijn. Met behulp van een echografie kunnen diverse weefsels worden onderzocht.
Het onderzoek duurt ongeveer vijftien tot dertig minuten.

De radioloog (de medisch specialist op de röntgenafdeling) beoordeelt het onderzoek en stuurt de uitslag naar de arts die het onderzoek heeft aangevraagd. Van hem of haar ontvangt u de definitieve uitslag.

Echogeleide schildklierpunctie

​Bij een punctie worden met een dunne naald cellen opgezogen (zie cytologische schildklierpunctie). De radioloog voert de punctie uit met behulp van echografie. Met een echo kunnen we precies de plaats bepalen waar bij u de punctie moet worden verricht. Het onderzoek duurt ongeveer vijftien tot dertig minuten. Na het onderzoek kunt u vrijwel altijd direct naar huis.

Cytologische schildklierpunctie

Bij een cytologische schildklierpunctie halen we een kleine hoeveelheid materiaal, bestaande uit cellen en minimale weefselfragmenten, uit een verdacht knobbeltje van de schildklier. Cytologie betekent dus onderzoek van cellen. Een cytologische punctie is een weinig belastende, kortdurende ingreep (ongeveer tien seconden), die meestal goed wordt verdragen. Door middel van een punctie wordt de aard (samenstelling) van een zwelling onderzocht. 

De uitslag van de schildklierpunctie wordt aangegeven op een schaal van I tot VI met oplopend risico van de aanwezigheid van kanker van vrijwel 0% tot 97-99%. De patholoog (de medisch specialist) beoordeelt het onderzoek en stuurt de uitslag naar de arts die het onderzoek heeft aangevraagd. Van hem of haar ontvangt u de definitieve uitslag.

Bloedonderzoek

Het bloedonderzoek zal meestal gedaan worden in combinatie met of in aansluiting op andere onderzoeken. Behalve algemeen bloedonderzoek (voor de operatie) zullen het schildkliereiwit (Tg), de antistoffen tegen Tg (anti-Tg) en de schildklierfunctiewaarden (TSH en vrij T4) worden bepaald.

  • Tg: thyreoglobuline is een eiwit dat specifiek in de schildklier wordt gemaakt. Het wordt vaak gebruikt bij het volgen van schildklierkanker tijdens en na behandeling. Vaak wordt de test meerdere malen uitgevoerd om te controleren of de tumor definitief is verdwenen. Meestal worden tegelijk met de Tg-bepaling ook antistoffen tegen Tg (anti-Tg) gemeten.
  • Anti-Tg: De anti-Tg-test meet de hoeveelheid antistoffen tegen thyreoglobuline (Tg). Als er anti-Tg in het bloed zit, is de Tg-test niet betrouwbaar en daardoor niet geschikt om het effect van de behandeling van schildklierkanker te meten.
  • Tg-on: is de meting van Tg onder behandeling met schildklierhormoontabletten (thyrax of euthyrox).
  • Tg gestimuleerd: is de meting van Tg na onttrekken van de schildklierhormoontabletten (thyrax is nog niet gestart post operatief of wordt 2 tot 4 weken voorafgaand aan het radioactief onderzoek of de behandeling gestaakt). Een andere manier is het toedienen van injecties thyrogen (recombinant humaan TSH), hierbij wordt de TSH gestimuleerd zonder dat u gaat stoppen met de schildklierhormoontabletten. Beide manieren zijn bedoeld om een zo hoog mogelijk TSH te krijgen. Onder invloed van een hoge TSH-spiegel, zullen eventuele aanwezige schildklier(kanker)-cellen Tg produceren. Welke behandeling voor u van toepassing is verschilt per situatie. Uw arts vertelt u hier meer over.
  • TSH (thyroïd stimulerend hormoon): hormoon wat vanuit de hypofyse de schildklier aanstuurt om schildklierhormoon te produceren.
  • Vrij T4: schildklierhormoon wat door de schildklier wordt geproduceerd door aansturing vanuit de hypofyse.

Omdat door de operatie de bijschildklieren (tijdelijk) hun functie kunnen verliezen wordt een aantal keren post operatief (na de schildklieroperatie) ook het calcium, fosfor en vitamine D gecontroleerd.

MRI van de hals

MRI staat voor Magnetic Resonance Imaging. MRI is een onderzoeksmethode waarbij van buitenaf afbeeldingen van het inwendige van de mens kunnen worden gemaakt. De werking van MRI is niet gebaseerd op röntgenstraling, maar op magnetische velden en radiogolven.

Een MRI kan soms nodig zijn om meer duidelijkheid te geven over de aard van de schildklierafwijking. Dit onderzoek heeft vaak de voorkeur boven een CT-scan van de hals omdat bij de CT-scan jodium houdend contrast nodig is dat de behandeling kan verstoren.

Een MRI kan ook nodig zijn in geval van grote tumoren om:

  • vast te stellen hoever de tumor is doorgegroeid in de bloedvaten en het omringende weefsel in de hals;
  • vast te stellen of er uitzaaiingen zijn in de lymfeklieren en/of organen ergens anders in het lichaam.

Onderzoeken op de afdeling Nucleaire geneeskunde

De onderzoeken die plaats kunnen vinden op de afdeling Nucleaire geneeskunde staan hieronder kort beschreven. Indien u een of meer van deze onderzoeken zult krijgen, ontvangt u meer uitgebreide informatie van de afdeling Nucleaire geneeskunde.

  • Jodium total body scan (post-therapie scan): Deze scan wordt uitgevoerd na een behandeling met radioactief jodium (zie hiervoor H 4.2). De scan wordt ongeveer één week na de behandeling gemaakt en brengt de opname van radioactief jodium in uw lichaam in kaart. Zie voor meer informatie de folder Jodium total body scintigrafie (post-therapiescan).
  • Jodium PET-scan (I-124 PET-CT-scan): Het doel van het onderzoek is het opsporen van mogelijke resten van de schildklier door middel van een scan met behulp van radioactief jodium-124. Deze scan wordt met de PET-CT scanner gemaakt. Met behulp van de uitslag van deze scan en het bloedonderzoek zal in overleg met uw behandelend arts worden bepaald of u opnieuw een behandeling met radioactief jodium moet ondergaan. Er wordt onderscheid gemaakt in een scan na toediening van Thyrogen of een scan na onttrekken van thyrax. Zie voor meer informatie de folders PET-CT-onderzoek (I-124) Thyrax en PET-CT-onderzoek (I-124) Thyrogen®.
  • (Thyrogen) PET-CT onderzoek of FDG PET scan: Het doel van dit PET-CT-onderzoek is om ontstekingsprocessen of tumoren in het lichaam in beeld te brengen die met de I-124 PET niet in beeld kunnen worden gebracht. Er wordt bij dit onderzoek een ander soort radioactieve stof gebruikt. In de meeste gevallen is dit onderzoek echter niet nodig. Zie voor meer informatie de folder PET-CT-onderzoek.
23 november 2018 / 7260 / P

Voor specifieke vragen aan een afdeling, ga naar de contactpagina. U kunt ook kijken bij de meestgestelde vragen.