Contact
Kopbeeld

Dokterstaal

  1. Dokterstaal

In het ziekenhuis worden vaak moeilijke woorden gebruikt. Wij leggen de woorden graag voor je uit. Leer je mee?

A

Acuut – als iets plotseling gebeurt. Je hebt ineens pijn of je voelt je plotseling ziek.
Ader – buisjes in je lichaam waar bloed doorheen stroomt, naar je hart toe. Je hebt er heel veel in je lichaam. Kijk maar eens naar de bovenkant van je hand, daar kun je je aders goed zien.
Afdeling – een ziekenhuis heeft veel verschillende afdelingen. Elke afdeling verzorgt een bepaald onderdeel van je lichaam of een bepaalde ziekte. Zo heb je bijvoorbeeld de longafdeling (onderdeel lichaam) of het Diabetescentrum (ziekte). Voor kinderen is er één afdeling voor alle onderdelen van het lichaam en voor alle ziektes; de afdeling Kindergeneeskunde.
Allergisch – betekent dat je ergens niet goed tegen kunt. Je kunt jeukende bultjes krijgen, moeten overgeven of het benauwd krijgen. Je kan allergisch zijn voor dingen die je kunt eten of drinken (bijvoorbeeld melk) of dingen die je kunt inademen (bijvoorbeeld stof). Sommige kinderen zijn allergisch voor een bepaald medicijn.
Amandelen – zijn knobbeltjes in je keel, zij verdedigen jou als het ware tegen vreemde stoffen van buitenaf. Als je amandelen vaak ontstoken zijn, dan moeten ze in het ziekenhuis weggehaald worden.
Anamnese – een vraaggesprek met de arts waarin jij kunt vertellen waar je last van hebt. Hoe lang je er al last van hebt, hoe het is begonnen, hoe je je nu voelt. De arts zal je daar een heleboel vragen over stellen.
Anesthesie – noemen wij ook wel narcose. Je krijgt medicijnen zodat je lekker gaat slapen en niks voelt van de operatie of het onderzoek.
Arts - een ander woord voor dokter. Een arts is de hele dag bezig om mensen beter te maken. Je hebt veel verschillende artsen. Jij zal geholpen worden door Kinderartsen of artsen die opgeleid worden om straks ook kinderarts te zijn.

B

Bacteriën – zijn piepklein en kun je niet met het blote oog zien. Alleen onder de microscoop zijn bacteriën zichtbaar. Bacteriën leven overal, buiten en binnen. Van sommige bacteriën kun je ziek worden.
Behandeling – wanneer je in het ziekenhuis verzorgd wordt door een verpleegkundige of een arts noemen we dat een behandeling.
Bijsluiter – wanneer je medicijnen krijgt, zit daar altijd een papiertje bij. Op dit papiertje staat waar het medicijn voor is, wanneer je het moet innemen en wat eventuele reacties van je lichaam op het medicijn kunnen zijn (bijwerkingen). Dit papiertje noemen we de bijsluiter.
Bloed – jij hebt vast wel eens bloed gezien. Als je valt of een wondje openkrabt komt er rode vloeistof uit. Dit is bloed. Je hart pompt de hele dag bloed in je lichaam rond.
Bloedgroep – er bestaan meerdere soorten bloed. Dat noemen we bloedgroepen. Het is goed om te weten welke bloedgroep je hebt. Stel je hebt extra bloed nodig dan mag je alleen bloed krijgen dat goed voor je is. Bekende bloedgroepen zijn: A, B, O en AB. Elke bloedgroep kan + of – zijn.
Bloedprikken – bij bloedprikken wordt er met een dun naaldje een beetje bloed uit je arm gehaald. Dat bloed wordt opgevangen in een buisje en kunnen wij onderzoeken.
Botten – een skelet bestaat uit botten. Ze zijn erg hard en daarom kan je ze goed voelen. Als volwassen mens heb je 206 botten in je lichaam!

C

Chirurg – een arts die mensen opereert. Niet elke arts mag opereren, daar moet je een speciale opleiding voor hebben gevolgd.
Chronisch – een ziekte die lang duurt en nooit helemaal weggaat.
Complicatie – kan onverwachts ontstaan na een operatie of onderzoek. Van een complicatie kun je pijn of last hebben. Een voorbeeld van een complicatie kan een nabloeding zijn; een bloeding na een operatie of ingreep.
Couveuse – een klein bedje waar je als baby inligt wanneer je te vroeg geboren bent.
CT-scan – met een CT-scan maken we foto’s van de binnenkant van je lichaam. Zo kan de arts beter zien hoe je lichaam er van binnen uitziet. Voor de scan lig je op een soort tafel en word je langzaam in een tunnel geschoven waar je een tijdje stil in moet liggen.

D

Dagbehandeling – als je naar het ziekenhuis moet, hoef je niet altijd te blijven slapen. Soms mag je dezelfde dag weer naar huis. Dit noemen we een dagbehandeling.
Diabetes – suikerziekte, een ziekte waarbij je teveel suiker in je bloed hebt.
Diagnose – wanneer de arts weet om welke ziekte het bij jou gaat, krijgen jouw klachten eigenlijk een naam, dat noemen we een diagnose.

E

ECG – een hartfilmpje. Er komen plakkers op je borst waarvan de draadjes naar een monitor leiden. Hierop is te zien hoe jouw hart werkt. Je voelt niks van een hartfilmpje.
EEG – een onderzoek van je hersenen. Hierbij komen er plakkers op je hoofd waarvan de draadjes naar een monitor leiden. Op de monitor is te zien hoe jouw hersenen werken. Je voelt niks van dit onderzoek.

F

Fysiotherapie – oefeningen om je beter te leren bewegen. Soms kunnen massages ook helpen om beter te kunnen ontspannen.

G

Gewrichten – een verbinding tussen twee botten waardoor je je lichaam kunt bewegen. Een voorbeeld zijn je knieën of je ellebogen.
Gipskamer – in de gipskamer wordt je arm of been in het gips gezet.

H

Hart – de motor van je lichaam. Pompt de hele dag bloed door je lichaam zonder dat je het zelf merkt of er iets voor hoeft te doen.
Hechten – wanneer je gevallen bent en een wond hebt die maar niet stopt met bloeden, wordt het gehecht. De randen van de wond worden met garen, nietjes of lijm aan elkaar vastgemaakt.
Hersenen – zitten in je hoofd en zorgen ervoor dat je kunt bewegen, denken en voelen.
Herstelperiode – is de periode na een behandeling of operatie waarin je opknapt.

I

Infuus – het geven van vloeistof door een slangetje naar een buisje in een ader in je hand of arm.
Ingreep – is een handeling die een arts uitvoert om een probleem te voorkomen of op te lossen.
Isolatie – soms kun je zieker worden van andere mensen, omdat ze bacteriën bij zich hebben waar je in je zieke periode extra gevoelig voor bent, dan mag je naar een aparte kamer. Dit noemen we isolatie.

J

Jodium – is een roodbruine vloeistof waarmee een wond schoongemaakt wordt.

K

Kijkoperatie – hierbij kijkt de chirurg met een kleine camera in bijvoorbeeld je knie of buik. Via een monitor kan de chirurg de beelden van de camera zien en zo in je lichaam kijken.
Koorts – wanneer je lichaam boven de 38°C is, noemen we dat koorts.

L

Laboratorium – hier worden bloed, plas, poep of andere stoffen uit het lichaam van mensen onderzocht.
Lichaamstemperatuur – de temperatuur binnenin je lichaam. Als deze te hoog is noemen we dat koorts (zie koorts).
Litteken – zichtbare plek van een wond die genezen is.

M

Medicijnen – pillen, drankjes, spuiten, die je helpen om je beter te laten voelen of worden.
Mondkapje – wanneer de lucht in een ruimte schoon moet blijven, moet je een mondkapje voor doen. Dit moet bijvoorbeeld in de operatiekamer.
MRI-scan – met een MRI-scan worden foto’s gemaakt van de binnenkant van je lichaam. Je moet tijdens deze scan heel stil liggen.
Monitor – een apparaat waar je met draadjes op wordt aangesloten. Op de monitor kunnen de arts en verpleegkundige bijvoorbeeld zien hoe snel je hart slaat, hoe vaak je ademhaalt of hoeveel zuurstof er in je bloed zit.

N

Naambandje – is een bandje dat je om krijgt als je in het ziekenhuis bent. Op deze armband staat je naam en geboortedatum. Zo weet iedereen wie jij bent.
Neonatologie – op deze afdeling liggen pasgeboren kinderen die ziek of te vroeg geboren zijn.
Nuchter – betekent dat je voor een operatie of onderzoek niks mag eten en drinken.

O

Ontslag – als je weer naar huis kunt, noemen we dat ontslag.
Operatie – de chirurg (de arts die mag opereren) maakt bij een operatie een sneetje in je lichaam om iets te maken of weg te halen. Zo kan jij weer beter worden. Een operatie gebeurt altijd onder narcose, zodat jij er niks van voelt.
Operatiekamer (OK) – is een speciale ruimte waar de chirurgen opereren.
Opname – als je opgenomen wordt in het ziekenhuis dan noemen we dat een opname. Je blijft dan logeren in het ziekenhuis voor één of meer nachtjes.

P

Pijnstiller – is een medicijn dat je pijn vermindert of wegneemt.
Prognose – de arts vertelt van tevoren hoe hij/zij denkt dat je ziekte en genezing gaan verlopen.

R

Ribben – botjes in je borst.
Rooming-in – room betekent in het Engels kamer. Rooming In betekent dat je vader of moeder bij jou op de kamer in het ziekenhuis kan blijven slapen.

S

Specialist – een arts die veel weet van een bepaald onderwerp. Bijvoorbeeld een oogarts, die veel weet over ogen. Een specialist die veel weet over kinderen noemen we een kinderarts.
Speelkamer – is een gezellige en fijne kamer waar je lekker kunt spelen.
Steriel – betekent vrij van bacteriën. Naalden en de operatiekamer moeten bijvoorbeeld helemaal steriel zijn.
Stethoscoop – hiermee luistert de arts naar je hart, longen en buik.

T

Thermometer – hiermee kan je lichaamstemperatuur worden gemeten.

U

Uitslaapkamer (recovery) – is de kamer waar je na de operatie wakker wordt. Je vader of moeder zit dan alweer naast jou.

Verdoving – minder gevoelig of gevoelloos maken van je lichaam of een deel van je lichaam. Zo heb je minder of geen pijn tijdens een onderzoek of operatie.

W

Witte bloedlichaampjes – in je lichaam zitten witte en rode bloedlichaampjes. De witte bloedlichaampjes vernietigen beestjes die je gezondheid in gevaar kunnen brengen, zoals bacteriën. 

Z

Ziekenhuis – gebouw waar elke dag en nacht zieke mensen verzorgd worden door artsen en verpleegkundigen.
Ziekte – wanneer iets in je lichaam niet goed werkt noemen we dit een ziekte.
Zintuigen – hulpmiddelen waarmee je de omgeving kunt ontdekken. Je hebt vijf zintuigen: zien, ruiken, voelen, horen en proeven. Denk maar eens na hoeveel jij met deze zintuigen kan doen!

Voor specifieke vragen aan een afdeling, ga naar de contactpagina. U kunt ook kijken bij de meestgestelde vragen.